Home » ID Rtd 1914 - 1940 » A.J.J. Vrinten GSIII/MI5/Abwehr?)

A.J.J. Vrinten (GS|||) (MI5) (Abwehr?)

Doordat Vrinten genoemd wordt door de geschiedschrijver van de Inlichtingendienst Rotterdam en Vrinten vooral op inlichtingengebied acteerde vanuit zijn woonplaats Rotterdam (Kralingen) met zijn daar gevestigde dekmantelfima, voor zowel de Engelse Inlichtingendiensten MI 5- en 6 (SIS),  als de Nederlandse  militaire inlichtingendienst GSIII en ook zeker indirect inlichtingen heeft verschaft aan de Duitse inlichtingendienst Abwehr, is het interessant wat meer op Vrinten en c.s. in te zoomen. Vrinten trachtte tevergeefs als ex-politierechercheur van de gemeentepolitie Rotterdam in contact met de ID Rotterdam te komen.

Bevolkingsregistratie, gezinskaarten familie A.J.J. Vrinten (Bron: Stadsarchief Rotterdam).

(Aad) Adrianus Johannes Josephus Vrinten, geboren 13-11-1893 Loon op Zand, overleden 3-3-1981 Rheden (Gld), hij was toen 87 jaar oud. Op 31-12-1918 te Rotterdam gehuwd met Apolonia Gerarda Nooijen (1894-1990) , hij was toen 25 jaar oud. Het echtpaar Vrinten kreeg tussen 1919 en 1930  2 dochters en een zoon, . Beroep: Koopman.

Blijkens de registratie op het gezinsblad van de basisregistratie personen van de gemeente Rotterdam is Vrinten op 1-10-1937 op het adres Avenue Concordia 6(6) te Rotterdam gaan wonen, op welk adres tevens zijn Handelskantoor  Zaal & Co stond geregistreerd. Bij zijn verhuizing was hij al woonachtig in de Rotterdamse wijk Kralingen, namelijk sedert 30-4-1930 op het adres Jericholaan 27c.

1920  J.A. Zaal

Bevolkingsregistratie, gezinskaart familie J.A. Zaal (Bron: Stadsarchief Rotterdam).

Johannes Antonius Zaal, geboren 25-7-1896 Den Helder, overleden 25-1-1946 Groningen, hij was toen 49 jaar oud. Ongehuwd. Beroep: Koopman in ongeregelde goederen / Contoleur rederij

Blijkens de registratie op het gezinsblad van de basisregistratie personen van de gemeente Rotterdam is Zaal in 1920 in Rotterdam gaan wonen. Op 31-12-1928 inwonend bij de familie van Koutrik op het adres Breede Hilledijk 92, Rotterdam (Zuid)  Laatst in Rotterdam (West), sedert 15-4-1940 (inwonend) op het adres Nicolaas Beetsstraat 98.

1938  F. A. van Koutrik 

Bevolkingsregistratie, gezinskaarten familie F.A. van Koutrik (Bron: Stadsarchief Rotterdam

NRC Handelsblad, dd 16-11-1988

Ondertrouw aankondiging van de Burgerlijke Stand van Rotterdam (De banier : staatkundig gereformeerd dagblad, dd 01-02-1936)

 

Folkert Arie van Koutrik

Folkert Arie van Koutrik, geboren 5-8-1912 Rotterdam, overleden 14-11-1988 Ede, hij was toen 76 jaar oud. Gehuwd met Hedwig Wilhelmina Lippke (25-8-1915 Duisburg ) op 19-2-1936 te Rotterdam, hij was toen 33 jaar oud. Het echtpaar van Koutrik kreeg één zoon en één dochter, respectievelijk geboren in 1936 en 1939. Beroep: Kantoorbediende.

 

Geboorte melding van de Burgerlijke Stand van Schiedam van dochter ( De Maasbode, dd 05-04-1939)

 

 

NRC Handelsblad, dd 16-11-1988

1917  Vrinten volgt met Zaal cursus bij politie Rotterdam 

In 1917 hadden Aad Vrinten en J.A. Zaal een opleiding gekregen als militair rechercheur in Rotterdam en zij waren daarna ingedeeld bij de landelijk opererende Opsporingsdienst van de Koninklijke marechaussee. Van daaruit bestreden zij door Duitsers en Britten in Nederland bedreven spionage.(nisa) (Zie pagina op deze website 'ID Rtd  1914 - 1940'). De militaire rechercheurs kregen hun opleiding bij de grote gemeentelijke politiekorpsen. G.S. III werkte in deze periode nauw samen met de hoofdcommissarissen van politie van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht.(huygens.knaw.nl)

1914  Vrintens'werkzaamheden voor GS||| in relatie tot het PCO

Vrinten was in de eerste wereldoorlog (1914-1918) medewerker geweest van de Nederlandse Inlichtingendienst; gedemobiliseerd, werkte hij eerst bij enkele firma's, kwam. nog in het begin van de jaren '20 als ambtenaar van de dienst voor invoerrechten en accijnzen in contact met een collega, Zaal, en richtte enige tijd later samen met hem, in Rotterdam een agentuur- en commissiehandel op, Zaal & Co. Deze firma werd een feitelijk nevenbureau van het Passport Control Office (PCO). Opererend onder diverse schuilnamen, wierf Vrinten in de jaren '30, soms voorgevend dat hij namens de Nederlandse geheime dienst optrad, tal van personen aan die zich bereid verklaarden, regelmatig of af-en-toe naar Duitsland te reizen om daar militaire observaties te verrichten. Hoevelen dat er in totaal waren, weten wij niet, maar zeker waren het vele tientallen. Alleen al één van Vrintens helpers, de Waalwijkse leerhandelaar F. A. Hensen, een neef van zijn vrouw, wist dertig personen voor die spionage-arbeid te winnen. (...) Niet zeldzaam waren de gevallen waarin Vrinten bedragen, meest kleine overigens, voor berichten betaalde die zijn zgn. agenten geheel of grotendeels uit hun duim gezogen hadden. Van al die agenten hield hij zorgvuldig een kaartsysteem bij. Iets op ons verhaal vooruitlopend, willen wij hier vermelden dat Vrinten in gezelschap van zijn naaste medewerker, F. A. van Koutrik, op de eerste dag van de Duitse invasie, 10 mei I940, uit Rotterdam naar Engeland vluchtte en dat spoedig nadien zijn kaartsysteem door de Duitsers gevonden werd, hetgeen er belangrijk toe bijdroeg dat allen die korte of lange tijd aan Vrinten hun diensten geleend hadden, gearresteerd en veroordeeld werden. Van slechts vijftien hunner zijn de vonnissen bewaard gebleven: drie, onder wie Hensen, werden ter dood veroordeeld, de overige twaalf tot gevangenisstraffen, variërend van tweeen-een-half tot tien jaar. Hoe waren de Duitsers op Vrinten attent geworden.

Aan het einde van de jaren '30 was zijn dienst zwaar door de Abwehr gepenetreerd: een agent van de Abwehrstelle Hamburg, Friedrich Günther, was een van zijn medewerkers geworden; herhaaldelijk was deze aanwezig wanneer Vrinten op een nevenadres in Amsterdam-zuid zijn relaties ontving; wat Günther te weten kwam, werd aan Hamburg doorgegeven. Ernstiger nog was, dat van Koutrik, in wie Vrinten een onbeperkt vertrouwen  stelde, in de herfst van '38 naar de Abwehr overliep. (...) Van alle details van het werk van het  

Passport Control Office (PCO) en van die merkwaardige Rotterdamse firma Zaal & Co. was de Nederlandse geheime dienst, GS III, niet op de hoogte, maar zij wist er wel het een-en-ander van: met Vrinten werden wel eens gegevens uitgewisseld, en wat de Britse dienst betrof, droeg die uitwisseling zelfs een regelmatig karakter. Wij vermeldden al dat het in de eerste wereldoorlog niet anders geweest was; de contacten die men toen gelegd had met de geheime diensten van Duitsland, Engeland, Frankrijk en België werden in de jaren '20 aangehouden. Zo ook in de jaren '30, maar met één belangrijk verschil: die met de Duitsers gingen meer en meer een louter formeel en beleefdheidskarakter dragen. Het hoofd van GS III, generaal-majoor J. W. van Oorschot, bleef zich jegens de Duitse attaché's (van wie hij wist dat zij militaire gegevens verzamelden) correct en voorkomend gedragen; als de echtgenote van een hunner 'op Scheveningen kwam logeren, werd er voor bloemen gezorgd'. Zo werd een façade van neutraliteit in stand gehouden die met de werkelijke opvattingen van de generaal allerminst in overeenstemming was. (Bron: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog - Deel 2)  

Opzetten van Vrintens'netwerk

J.F.P. Steenhorst komt voor op een lijst van 'Revolutionaire Nederlanders', samengesteld door de Centrale Inlichtingendienst (CI), dd 4-6-1930, welke is verzonden aan de Minister van Justitie (Bron: © Algemeen Rijksarchief, Den Haag - min. van Justitie geheim chronologisch archief oktober 1918 t/m december 1939)

Naast Van Koutrik had Vrinten natuurlijk vele andere agenten. Een van hen was bijvoorbeeld J.F.P. Steenhorst, bestuurder van de National Union of Seamen, de Engelse zeelieden vertegenwoordiging in Rotterdam. Kort na de Eerste Wereldoorlog was hij in contact gekomen met Vrinten en begon hem toen gegevens te verstrekken die voor de Britten van belang waren. Zijn zoon Cornelis, die ook aan de zeeliedenorganisatie verbonden was, werkte met zijn vader mee. Na de capitulatie van Nederland doken zij om aan arrestatie te ontkomen elders onder. Cornelis overleed op 7 maart 1943 in Amsterdam, mogelijk door ziekte. Steenhorst senior was in 1947 niet van mening dat Van Koutrik verantwoordelijk was geweest voor het bekend raken van hun namen bij de Abwehr; hij ging ervan uit dat alleen zijn anti-Duitse houding en het werk voor de Engelse zeeliedenorganisatie al reden genoeg zou zijn geweest voor arrestatie. Hoe het ook zij, met of zonder Van Koutriks melding, zij stonden met adres vermeld op de Fahndungsliste - Holland. In de tweede helft van 1939 vertelde (dubbelagent) Van Koutrik aan zijn runner (Abwehr-agent) Hoogeveen dat Vrinten ‘zeer nerveus’ was, bezig was met het  vernietigen van een deel van zijn archief en dat hij ‘belangrijke archief-deelen’ naar Brabant had gebracht. Na mei 1940 konden via de gearresteerde zwager van Vrinten, Frans Hensen, die archiefdelen in beslag worden genomen.F.A. Hensen, een koopman in leder was al in 1936 als rekruteur voor Vrinten werkzaam. Zo bracht hij dat jaar Anton Pouwels met Vrinten in contact

Pouwels ondernam in maart zijn eerste reis naar Duitsland, waar hij gedurende langere tijd ging werken. Hij werd op aanwijzing van een Duitser in oktober 1937 gearresteerd en in maart 1939 tot levenslange tuchthuisstraf veroordeeld. In november 1941 ontving Staatspolizeistelle Keulen van ‘Stelle P’, dus van Protze, In een aantal van die berichten of aantekeningen werden medewerkers van Pouwels genoemd, maar daaropvolgend onderzoek bleek voor die mensen geen nadelige gevolgen te hebben. Na zijn bevrijding in mei 1945 door de Amerikanen vertelde hij dat zijn broer T.A.G. Pouwels – die ook met Hensen in verbinding had gestaan – tijdens de oorlog werd gearresteerd en in een Berlijnse gevangenis was overleden. Onder de door Hensen geworven agenten zaten er acht die in werkelijkheid voor de Gestapo in Düsseldorf en voor Ast Münster werkten. De namen van Vrinten en Hensen waren dus al in 1936/1937 bekend. De laatste had tot eind 1939 voor Vrinten gewerkt en Van Koutrik had zijn naam doorgegeven aan Protze.

Frans Hensen werd in oktober 1940 gearresteerd en in januari 1941 overgebracht naar Keulen; hij werd in april 1943 wegens spionage door onthoofding ter dood gebracht. Na zijn arrestatie werd bij Hensens neef Van Wezel in Kaatsheuvel een koffer van Vrinten in beslag genomen. Vrinten weet Hensens arrestatie overigens aan een andere omstandigheid. De uit Emmerik afkomstige Gerit Bisseling kwam al voor mei 1940 naar Brabant om daar voor de Duitsers stellingen te bespioneren. Hensen kwam daar achter en waarschuwde de politie. Bisseling werd gearresteerd, maar na de capitulatie vrijgelaten. Vervolgens zou hij bij de Duitsers een klacht over Hensen hebben ingediend. Toch kan Hensens medewerking bij het vinden van Vrintens koffer daar niet rechtstreeks aan worden verbonden, wel aan Van Koutriks mededelingen. Volgens Vrinten had hij omstreeks juli 1939 een koffer naar Waalwijk gestuurd, waar slechts bescheiden .in zaten.die betrekking hadden op de periode 1914-1918. Die bleken voor de Duitsers toch van belang te zijn. De Duitse belangstelling voor 

Franciscus Adrianus Hensen  (Bron: Wiki / uit 'Provinciestad in Oorlogstijd').

spionage tijdens de Eerste Wereldoorlog komt verderop nog eens aan bod. Volgens Protze bevatten de twee koffers, na mei 1940 in beslag genomen in een pension in de omgeving van Waalwijk, ‘twee dikke boeken, samengesteld door Vrinten en diens vroegeren

medewerker ZA(A)L (?), (pleegvader van Kouterik), waarin opgenomen alle bekende in Nederland werkende agenten van vreemde mogendheden. Verder een zeer nauwkeurige boekhouding van alle door Vrinten in verband met zijn werkzaamheden gemaakte onkosten en betalingen gedaan aan zijn met name genoemde medewerkers. Een van de door Vrinten vermelde agenten was Willem van Baalen die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de Britten had gespioneerd. Hij leerde Vrinten in 1934 kennen, maar heeft nooit voor hem gewerkt. Dat kan wel kloppen: volgens Van Koutrik kwam Van Baalen in Vrintens archief voor als ‘vermoedelijk agent van den Duitschen Dienst’. Er bestaat een rapport, dd 13-9- 1940 van de Centrale Inlichtingsdienst (CI) te Londen dat verhaalt over ene Willem van Baalen: dit zou in de jaren dertig een bekende zwendelaar op het gebied van effecten en een der werfagenten van Doktor Hamkes zijn geweest. Van Baalen zou in Maassluis zijn geboren en in 1940 ongeveer 55 jaar oud zijn geweest (dat klopte, al was hij feitelijk eind 1882 geboren). Ondanks zijn werk voor de Duitsers in het verleden werd Van Baalen in maart 1941 gearresteerd en tot ongeveer juli in Keulen gedetineerd. Beschuldigd van spionage voor de Britten werd hij tijdens de verhoren ondervraagd over Vrinten; daarbij viel ook de naam Johan Dronkers die mogelijk verantwoordelijk was voor Van Baalens arrestatie. Hij werd uiteindelijk vrijgelaten, omdat niets kon worden bewezen.

Doktor Hamkes,

actief voor Nest Keulen, wist onder meer in oktober 1938 de in België wonende Nederlander H.K. Bruins te rekruteren voor het verzenden van weerberichtentief voor Nest Keulen (nisa)

Baalen, van, Willem; 8-12-1882 te Maassluis – 9-3-1950 Baarn (nisa),

assurantiebezorger, overleden s-Gravenhage 8-3-1950, trouwde Maassluis 18-10-1906 Cornelia Wilhelmina Klinge , geboren Maassluis 31-1-1885, handwerk lerares, overleden 's-Gravenhage 4-4-1958, dochter van Arij Klinge en Maartje Bleijksloot (patersvaatje.nl)

Dronkers, Johannes Marinus; 3-4-1896 te Nigtevecht – Wandsworth 31-12-1942,

deed zich voor als een Engelandvaarder, maar hij bleek een spion te zijn die in Engeland opdrachten voor de Duitsers moest uitvoeren. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werkte Dronkers als eenvoudige klerk bij de PTT in de Zeestraat in Den Haag. Dronkers was begin 1942 via zijn zwager in contact gekomen met Alexander Verkuyl, die hem vroeg voor de Duitsers te werken en hem vervolgens in contact bracht met een agent van de Duitse geheime dienst, dr. Schneider. Deze bood hem 100 gulden per maand als beginsalaris, en terwijl hij in Engeland zat zou zijn vrouw 150 gulden krijgen. Schneider zou voor een bootje zorgen. De opleiding tot spion was in de Vondelstraat in Den Haag. Hij begon meteen op 16 maart. In Engeland zou hij militaire inlichtingen moeten verzamelen en de gegevens naar de Duitsers moeten doorspelen (wiki)

Een belangrijke informante binnen het netwerk van Vrinten en Stevens; Valli Nael

Hotel Weimar op de hoek van de Spaanse Kade en het Haringvliet (rechts)
links op de foto Plan C (ca. 1930) (Bron: Engelfriet.net)

Op de pagina 'Spionage door de Abwehr' van deze website wordt Vrinten meerde malen aangehaald. Zo ook in zijn contact als runner voor Richard Henry Stevens van de informante Valli Nael. STEVENS van de PCO liet haar als één van zijn beste agenten uit Estland naar Nederland overkomen, een jonge vrouw van nog geen dertig die het Duits en Russisch beheerste en het Nederlands spoedig onder de knie zou krijgen. Nael werd gastvrouw en hoofd van de huishouding in hotel Weimar, in het centrum van Rotterdam, op de hoek van de Spaanschekade en het Haringvliet, dat werd bezocht door mensen uit de betere kringen. In de bar werden grote zaken gedaan. Nael moest verslag uitbrengen op het bekende adres, de dekmantelfirma's Zaal  & Co en handelsinformatiekantoor A.J.J. 

Vrinten aan de Avenue Concordia 6, in de Rotterdamse wijk Kralingen. ‘Bijna alle Nederlandse bezoekers aan de bar van Weimar waren nazi’s of op z'n minst nazi-gezind’, zei Nael later. Eén van de bijzondere vaste gasten was Eckart Hauptmann, zoon van de beroemde schrijver Gerhart Hauptmann, die in de vorige eeuw in zijn toneelstuk Die Weber de proletariërs als denkende mensen opvoerde. Zijn zoon Eckart dacht in een heel andere richting. Officieel was hij hoofdvertegenwoordiger van de Duitse firma AEG in Nederland. Hij was vaak in gezelschap van Gerhard Fritze, die in Nederland de Hollandsche Koopmansbank had gesticht, maar vooral Naels aandacht verdiende als hoogste functionaris van Berlin NW7 in Nederland. Als infiltratiedeskundige van deze perfect georganiseerde geheime dienst voor bedrijfsspionage van 

Korps Mariniers 273 jaar.
Diner in Hotel Weimar, in verband met de 'Korpsverjaardag', dd 10-12-1938.
In het midden de eregast, prins Bernhard.(Bron: nimh-beeldbank.defensie.nl) 

het wereldomvattende chemieconcern IG Farben had Fritze zijn sporen verdiend in Argentinië en Zweden. In 1929 verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit. Op 9 mei 1940 vertrok hij uit Nederland naar de Verenigde Staten, waar hij vanuit zijn kantoor in New York zijn zaken gewoon voortzette.

Bron: Het volk : dagblad voor de arbeiderspartij, dd 25-03-1942

Deze Gerhard Fritze speelde op een cruciaal ogenblik een belangrijke rol in onze vaderlandse geschiedenis: hij arrangeerde de kennismaking tussen prinses Juliana en Bernhard van Lippe-Biesterfeld, een employé van Berlin NW7 in Parijs. Dat resulteerde in januari 1937 in een huwelijk. Koningin Wilhelmina dwong haar schoonzoon wel ontslag te nemen bij zijn werkgever. 

In 1939 bracht Valli Nael aan het het echtpaar Vrinten verslag uit over een bezoek van prins Bernhard die enige uren in de bar van Hotel Weimar was geweest. 'Hij droeg geen anjer, maar hij was het toch’.  Met wie hij binnengekomen was, had zijniet kunnen waarnemen. Met wie hij vertrok wel: nl. de heren Ter Poorten, Van 

Heijst en Sperling. Vrinten kende deze personen inlichtingenmatig.

Cornelis Ter Poorten (1883 - 1954) was een gepensioneerde marine-officier en - blijkens uitlatingen van collega’s - 'een schandelijke NSB'er.

De tweede metgezel van de prins was luitenant-kolonel vlieger Floris van Heijst, die zich eveneens openlijk tot Musserts gedachtegoed aangetrokken voelde.

De derde man was de Duitser Hans Jurgen Sperling die sinds kort directeur van het Duitse Verkeersbureau te Amsterdam was, nadat hij verscheidene jaren als vertegenwoordiger van de Duitse spoorwegen in Rotterdam had gewoond.De aanwezigheid van deze oud-officier was verontrustend. Het Duitse Verkeersbureau was belangrijker als dekmantelbureau van de Abwehr (de inlichtingendienst van het Duitse leger) dan als inlichtingen- en bemiddelingsbureau voor toeristen.

C. ter Poorten, hoofd van de afdeling personeel (NSB) Nationaal-Socialistische Beweging (Bron: gahetna.nl/Anefo, 1940)

Luitenant-kolonel-vlieger F.A. (Floris, Albert) van Heijst (1883-1975). Behaalde zijn vliegbrevet voordat de Luchtvaartafdeeling (LVA) werd opgericht. Kort na de vorming van de LVA werd hij als eerste officier benoemd tot vlieginstructeur. Gedurende rest van zijn militaire loopbaan bleef Van Heijst werkzaam op Soesterberg (Bron: nimh-beeldbank.defensie.nl)

 

De Duitse meesterspion Traugott Protze had onder de naam Richard Paarmann eerder de directeurspost in Amsterdam bekleed. Prins Bernhard kwam nog verscheidene keren met een klein gevolg in twee of meer auto’s. De prins sprak in de Weimar-bar met onder meer James van Hoey Smith, directeur van een der oudste scheepvaartondernemingen in Nederland.Deze reder begreep dat goede betrekkingen met de Duitsers een belangrijke voorwaarde was voor de bloei van Rotterdam en zijn haven. Tijdens de oorlog stond Van Hoey Smith op zo goede voet met de bezetter dat die bij de aanleg van de Atlantikwall op het eiland Voorne zijn bos spaarde.

 Het is Nael niet duidelijk geworden wat de prins zo langdurig met Van Hoey Smith te bespreken had, maar het zal niet over zijn tuin of over zijn landgoed zijn gegaan, al heeft Bernhard hem wel uitgenodigd om daar eens te komen jagen.

T.E.E.H. Mathon

Ook sprak Bernhard op een avond in de herfst van 1938 in de Weimar-bar met de beroepsofficier Th.E.E.H. Mathon. Mathon was een volgeling van oud-generaal C.J. Snijders, die na de Eerste Wereldoorlog de leider werd van het extreem reactionaire, nationalistische, militaristische en kolonialistische Verbond voor Nationaal Herstel. Nael zei daar later over: 'Het gesprek tussen de prins en Mathon duurde lang en iedereen werd bij het tafeltje weggehouden. Dat gebeurde wel vaker als de prins de bar bezocht. De sfeer was dan altijd onderdanig, al gedroeg Bernhard zich meestal ongedwongen'. 

Ruzie

Eén keer raakte prins Bernhard bijna betrokken bij een ruzie, vermoedelijk met een politieke aanleiding. In ieder geval voer hij nogal uit tegen een stamgast, die als een vreemde eend in de bijt zou kunnen worden aangemerkt:

 

Johan van Loghem, een architect met een bureau in het Witte Huis aan de overzijde van de Oude Haven, nabij hotel Weimar. Als hij lang moest werken, ging hij ’s avonds niet naar huis in Haarlem, maar bleef hij over in hotel Weimar. Ze noemden hem daar “de Bolsjewiek”. daar hij jaren in Siberië  had gewerkt bij het uit de grond stampen van nieuwe fabriekssteden en toen ook bewondering voor kameraad Stalin had. Nu ontwierp hij in Nederland zowel villa’s voor rijke mensen als arbeiderswoningen, waarbij hij veel zaken met Duitsland deed.

[Het Tribunaal te Rotterdam heeft uitspraak gedaan in de zaak tegen J. van Hoey Smith. Hij wordt op vrije voeten gesteld, doch de beide kiesrechten worden hem ontnomen, evenals het recht, openbare ambten te bekleden. Van zijn vermogen wordt een gedeelte verbeurd verklaard. (Bron: rjb.x-cago.com, Dagelijkse Kroniek, 1947]

Atlantische Conferentie in Den Haag in het gebouw van de Tweede Kamer. De voorzitter, luitenant-generaal b.d. prof. T.E.E.H. Mathon, houdt een toespraakh.

E.E.H. Mathon (12-03-1900 / 1988) was onder andere majoor van de generale staf, Militair Raad van het Hoog Militair Gerechtshof en eindigde als chef-staf van de Civiele Verdediging. Als luitenant-generaal b.d. was hij in de jaren zestig bijzonder hoogleraar krijgsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht  de eerste op de leerstoel. (Bron: haagsebeeldbank.nl) 

Johannes Bernardus (Han) van Loghem (Haarlem, 19-10-1881 - 26-2-1940) was een Nederlands architect. Hij was een socialist wat onder meer tot uiting kwam in zijn ontwerpen van tuindorpen, zo werkte hij bijvoorbeeld mee aan Betondorp. Van Loghem was één van de vertegenwoordigers van de Nieuwe Haagse School. Na terugkeer uit Siberië vestigde Van Loghem zijn bureau in Rotterdam in de eerste wolkenkrabber van Nederland: het Witte Huis. Hij had in die tijd maar weinig opdrachten maar publiceerde veel artikelen over architectuur. Zo was hij bouwkundig medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, het Algemeen Handelsblad en de Groene Amsterdammer, ook was hij redactielid van de tijdschriften 8 en Opbouw, Bouwkundig Weekblad en Wendingen. In 1932 verscheen zijn boek: Bouwen, Bauen, Bâtir, Building. Van Loghem stelt in dit boek dat een architect zich open moet stellen voor de culturele en materiële waarden van zijn tijd, volgens Van Loghem ontstaat op die manier architectuur waarin het echte leven wordt weerspiegeld. Achteraf kan worden gezegd dat Van Loghem zijn tijd ver vooruit was.

Kort na het begin van de Tweede Wereldoorlog, op 7 november 1939, lieten Richard Stevens en zijn collega Sigismund Payne Best zich op nogal onnozele wijze door de Duitsers bij Venlo over de grens lokken. Het Venlo-incident. Ze werden gevangen genomen. 
Het aantal vaste Duitse logeergasten in hotel Weimar nam toe. Naels aandacht werd vooral getrokken door een tweeling, die stond ingeschreven als Heinz en Friedrich Neumann. Ze bewoonden een grote kamer in de hoektoren van het gebouw. Er was er altijd één aanwezig en één afwezig en ze wisselden elkaar onregelmatig en op alle uren van het etmaal af. Na een verblijf van drie maanden vertrokken ze overhaast in de vooravond van de negende mei 1940. Prins Bernhard had zich toen al lange tijd niet meer in Weimar vertoond.

Ook nadat Stevens in Duitse gevangenschap was geraakt, moest Nael rapport blijven uitbrengen bij Vrinten. In het vroege voorjaar van 1940 werd haar gevraagd naar een adres in Utrecht te gaan en een lijst van vaste bezoekers aan het hotel en de bar van Weimar mee te brengen. Zij stelde die lijst samen met Vrinten op. Toen Nael voorstelde om ook prins Bernhard te vermelden, zei Vrinten dat dat niet nodig was. Nael kwam terecht op het kantoor van de organisatie Eenheid door Democratie (EdD) aan de Stationsstraat, waar ook het gelijknamige weekblad werd gemaakt. EdD voerde als motto 'Mussert noch Moskou’ en had in de tweede helft van de jaren dertig meer leden dan alle Nederlandse politieke partijen bij elkaar. Op de zwaar gebarricadeerde zolder zat hoofdredacteur en freelance inlichtingenofficier Pieter Brijnen te midden van ordners en kaartenbakken. Hij voerde regelmatig geheime opdrachten uit voor GS III, de Nederlandse militaire inlichtingendienst. De regering werd daar buiten gehouden, want Colijn en later De Geer wilden het bevriende staatshoofd Adolf Hitler niet bruuskeren. In de winter van 1939-'40 had Brijnen een lijst van staatsgevaarlijke Nederlanders samengesteld. Tot Naels verbazing waren bijna alle namen 

Pieter Brijnen van Houten (24-8-1907 – 24-11-1991) was een Nederlandse medewerker van de geheime diensten GS III en MI5. De Britten gaven hem de bijnaam The Cat. (wiki)

Godert Jacob Karel baron van Lynden, heer van Horstwaerde en Riethoeven ('s-Gravenhage, 23-8-1886 - Wiesbaden, 15-6- 1964) was een Nederlands burgemeester. Hij was in 1936 de oprichter van de nationaal-socialistisch gezinde 'Orde der Getrouwe Getuigen van den komenden Christus' en gold als een trouw aanhanger en adviseur van Anton Mussert. (wiki)

van haar lijst ook in die van Brijnen te vinden. Er was er bovendien nog één van iemand die zij kende, zij het niet via het Weimar-hotel. Dat was Godert baron van Lynden van Horstwaerde, van wie bijna alle voorvaderen aan het Oranjehof hadden gediend. Brijnen vond dat hij op de lijst hoorde en Nael kon daar goed inkomen. Nadat Nael hem een paar keer had ontmoet, stond hij haar  tegen. Door zijn kapsel en snorretje leek hij ook nog op Hitler. Baron Van Lynden was leider van de sekte Orde van Getuigen van Christus en hoofdredacteur van het blad Evangelie en Volk. Daarin predikte hij een christelijk nationaal-socialisme en ontwikkelde hij een eigen liturgie. Verder was hij voorzitter van de Hoge Raad van Discipline van de NSB en als zodanig invloedrijk. Bovendien woonde hij in het bos van Soestdijk op een steenworp afstand van het paleis.

Brijnens lijst bleef in een bureaulade. Toen de Nederlandse regering op 4 mei 1940 tot de arrestatie van 21 staatsgevaarlijke landgenoten besloot, werd daarvoor een 'eigen’ lijst gebruikt. Daarop stonden de namen van drie communisten, een aantal NSDAP'ers en zes NSB'ers. Toen de Duitsers kwamen, ontsnapten Brijnen en het echtpaar Vrinten naar Engeland. De volgende dag vond het bombardement van Rotterdam plaats. Hotel Weimar, reeds beschadigd door de gevechten om de Maasbruggen, werd totaal verwoest. Valli Nael was nu zonder werkgever, maar dat duurde niet lang.

Enige dagen later stond een haar onbekende man voor de deur van haar logeeradres in Nijmegen. Zij kon de komende maandag beginnen in het American Hotel te Amsterdam - 'onder dezelfde condities als in Weimar’.
Vele jaren na de oorlog verbaasde zij zich er nog altijd over dat zij tijdens de bezetting door de Duitsers ongemoeid is gelaten: 'Vrintens plotselinge vertrek zou de Duitsers toch aan het denken hebben moeten zetten, vooral nadat zijn complete archief, verstopt in Waalwijk, in hun handen was gevallen. Later hoorde Nael dat Stevens tijdens zijn (vroege) gevangenschap alle medewerking aan de Duitsers heeft verleend. Nael heeft de indruk dat zij toch altijd voorzichtig genoeg is geweest en hebben Stevens en Vrinten over haar gezwegen. Valli Nael overleed in 1991 op 91 jarige leeftijd in een bejaardentehuis in Rotterdam. (Bron: groene.nl)

Kapitän zur See Richard Traugott Protze (alias Parmann/Onkel Richard), Duits inlichtingenofficier (Chef Abteilung P) in een cabriolet. Naast hem zijn secretaresse Helena Skrotzki (alias Helena Schneider/Tante Lene), voorin de auto Clara Böning (alias Frau Robberts), in NL, WOII (Bron: nimh-beeldbank.defensie.nl)

Op 6 mei 1940 kregen Protze en Skrodzki via Schulze-Bernett opdracht onmiddellijk naar Duitsland terug te keren. Als reden voor zijn vertrek zou Protze hebben verteld naar de trouwerij van zijn zoon te gaan. Dat bleef overigens via Willem Kik niet onbekend aan GS III. Het was Kik geweest die GS III destijds attent maakte op Rifczes en Protze, nadat Rifczes belangstelling had getoond voor J.G.M. van de Plassche, een inlichtingenofficier van GS III, en nadat Protze geïnteresseerd bleek in de in Wassenaar wonende journalist Van Blankenstein. Marcus van Blankenstein was een journalist/schrijver die toen als onbezoldigd agent voor GS III en het PCO werkte. In de ochtend van de 13e mei kreeg hij op het Britse gezantschap te horen dat hij door de Duitsers werd gezocht: hij stond vermeld op de Fahndungsliste - Holland. Hij wist met zijn gezin Engeland te bereiken.

Door die vlucht heeft hij zijn leven gered: zijn tegen Hitler-Duitsland gerichte artikelen in de dagbladen, zijn samenwerking met MI6 en zijn joodse afkomst waren zware punten in zijn nadeel. Na de capitulatie verschenen de Duitsers vrijwel onmiddellijk bij zijn woning om hem te arresteren. Zijn auto, twee schrijfmachines, twee matrassen, vier dekens, levensmiddelen en zeep werden in beslag genomen. Op 25 mei werden door twee Duitse soldaten en vier burgers bedden, kleren, een divan, gordijnen, tuinmeubilair, een tuinslang en alle wijn in een verhuiswagen geladen; daarna werd nog een keer door twee burgers een zak met goederen afgevoerd.
Naast de Abwehr had ook de Sicherheitsdienst belangstelling getoond voor Van Blankenstein. A.G. Bouten, een boekdrukker, had vòòr de oorlog in Nederland gespioneerd voor de Sicherheitsdienst te Aken. Een van zijn opdrachten als agent nummer V 46 was het aanleveren geweest van de Pyttersen’s Staatsalmanak 1939 en 1940. Bouten stond bij de Haagse politie-inlichtingendienst bekend als een agent van de Duitse geheime dienst en Steven Pegels van die dienst herinnerde zich ‘telegram- en of telefoongesprekken afkomstig van de censuur, die destijds bij de Inlichtingendienst behandeld werden en die op BOUTEN betrekking hadden te hebben gezien. Tevens herinner ik mij, dat uit een dier formulieren (gesprekken) bleek, dat BOUTEN onderzoek deed naar de gedragingen van Dr. M. van Blankenstein te Wassenaar. Bouten ontkende onderzoek te hebben verricht naar deze journalist. De Wassenaarse politie vernietigde in de meidagen politieke en spionage-dossiers. Rifczes was door de Haagse politie-inlichtingendienst op een lijst met te interneren personen gezet; hij werd later daadwerkelijk gearresteerd. Naast NSB’ers werden dus ook mensen ingesloten die van spionage werden verdacht. (nisa-intelligence.nl) 

De gedetineerden
Eenentwintig staatsgevaarlijke prominenten waren dus na zorgvuldige overweging uit de maatschappij gehaald. Het merendeel was geïndiceerd als nationaalsocialist of fascist, een enkeling als communist. De volledige lijst met namen der gedetineerden is als volgt [6]:

1 - J.J. Arendse [1905, wpl Delft]
2 - A.G. Bouten [1888, wpl Rotterdam]<<<<<-------------
3 - H.J.W. van Dillen [1900, wpl Arnhem]  (Bron: zuidfront-holland1940) 

<<<----Dr. M. van Blankenstein (1880 - 1964) Zoon van een Joodse dorpsslager, die na ongedurige jongensjaren als extraneus in Gouda zijn gymnasiumdiploma haalde en in Leiden een briljant student was. Koos voor de internationale journalistiek in plaats van een wetenschappelijke loopbaan als filoloog en maakte in het interbellum van zijn krant de NRC zowel voor zijn Nederlandse als zijn buitenlandse lezers een gezaghebbende bron van informatie over de wereldpolitiek. Journalist van ongekend grote allure, die overal ter wereld toegang had tot de groten der aarde en het ook met zichzelf niet slecht getroffen had. Blankenstein was van Joodse afkomst.

(Bron: parlement.com)

Oprichting Handels dekmantelfirma met Zaal (GS|||/MI5?) (afbeelding)

Hij richtte hiertoe met zijn compagnon Zaal (alias De Jong) het Handels- en Informatiebureau Zaal en Co op aan de Avenue Concordia in Rotterdam.(nisa) Volgens de schrijver Johan Nater richtten Vrinten en Zaal twee handelsinformatiebureaus op: ‘A.J.J. Vrintens Controle Bureau’ en ‘J.A. Zaal, Agenturen en Commissies’ (nisa)

 

Op deze afbeelding kijken we de Avenue Concordia in. I.v.m. verduisteringsmaatregelen werden de witte strepen rondom de lantarenpalen aangebracht, op de reclamezuil kunnen we Duitse propaganda affiches ontdekken o.m. over het foutieve geallieerde bombardement op Arnhem, Enschede en Nijmegen op 31 maart 1944 (Bron: Engelfriet.net)

1938  Wijze toetreding van Koutrik tot zijn firma

In 1938 zocht Vrinten mensen die voor de Britten wilden werken, maar Zaal zelf wilde niet meer met Vrinten samenwerken; misschien was het iets voor Van Koutrik. Vrinten had Van Koutrik leren kennen via Zaal die al vanaf Van Koutriks zesde levensjaar bij diens ouders inwoonde en hij rekruteerde hem in het voorjaar van 1938 als agent voor de Engelsen. Tijdens een persoonlijk onderhoud in het Rotterdamse café Corner House met het hoofd van het PCO, major Monty R. Chidson, werd Van Koutrik aangenomen tegen een salaris van 200 gulden, later 250 gulden per maand.Het was overigens niet professioneel van Chidson om een subagent te willen ontmoeten. Dit druist in tegen het need to know principe:een subagent behoort alleen zijn case-officer te kennen en niet diens opdrachtgever.(nisa)

1938  Achtergrond van Koutrik (Duits) (Dubbel agent)

De Maasbode, dd 24-06-1939

In het najaar van 1938 gaf Vrinten Van Koutrik opdracht het huis in de gaten te houden van de in Wassenaar wonende Sigismund Rifczes die daar bekend stond onder het alias P.E.Roberts. Door zijn optreden als rijke Canadees had ‘Roberts’ de aandacht van het PCO op zich gevestigd; het riep hem op zich te melden en zijn paspoort te overleggen. Omdat hij daar niet aan voldeed, raakte hij verdacht. Rifczes was een voor de Abwehr werkende agent  die vooral in  Frankrijk opereerde, iets waar we verderop onder ‘Rifczes’ op terugkomen. Protze en Skrodzki gebruikten in eerste instantie zijn huis aan de Bloemcamplaan voor hun operaties; in februari 1939 verhuisden ze naar de Wittenburgerweg, eveneens in Wassenaar.

F.A. (Arie )van Koutrik (5-8-1912 Rotterdam) die in dienst was van MI6 en MI5, werd na de oorlog ontmaskerd als een Duitse (Abwehr) agent.

Van Koutrik observeerde Rifczes’ huis nogal opvallend en Hoogeveen benaderde hem. Tijdens een gesprek in café Den Deyl in Wassenaar vertelde Van Koutrik dat hij voor de Engelsen werkte, maar genegen was tevens voor de andere kant werkzaam te zijn. Nadat Hoogeveen in overleg met Protze was ingegaan op Van Koutriks suggestie, betaalde Protze hem via Hoogeveen voor de eerste maand 100 gulden, de maand erop werden dat er 200. Zijn motief lijkt de behoefte aan geld te zijn geweest; zelf voerde hij angst aan voor eventuele represailles tegen zijn in Duitsland wonende schoonfamilie. In tegenstelling tot zijn werkgever Chidson heeft Van Koutrik zijn andere werkgever, Protze, nooit ontmoet, alles liep via Hoogeveen. Deze ontmoette hem op initiatief van Van Koutrik meestal in het Haagse café Stadt Schencke of in cafés op de Kruiskade in Rotterdam. (nisa) De ex-Amsterdamse politierechercheur draaide voor

Protze in de herfst van 1938 een voor het Britse Passport Control Office (PCO) werkende agent  F.A. van Koutrik. alias Oliver Kendall; Voor Protze gebruikte hij het alias Walbach. (nisa)

Van Koutrik zorgde ervoor dat de Duitsers vrijwel volledig op de hoogte raakten van alle voor de Engelsen werkende agenten. Protze sprak van een dagelijks rapport over de gebeurtenissen binnen het Passport Control Office (PCO) Skrodzki noemde tijdens haar verhoor in april 1946 Van Koutrik ‘onze meest succesvolle agent tegen den Engelschen dienst'. (nisa)

In de tweede helft van 1939 vertelde Van Koutrik aan Hoogeveen dat Vrinten ‘zeer nerveus’ was, bezig was met het vernietigen van een deel van zijn archief en dat hij ‘belangrijke archief-deelen’ naar Brabant had gebracht. Na mei 1940 konden via de gearresteerde zwager van Vrinten, Frans Hensen, die archiefdelen in beslag worden genomen. F.A. Hensen, een koopman in leder was al in 1936 als rekruteur voor Vrinten werkzaam. Zo bracht hij dat jaar Anton Pouwels met Vrinten in contact. Pouwels ondernam in maart zijn eerste reis naar Duitsland, waar hij gedurende langere tijd ging werken. Hij werd op aanwijzing van een Duitser in oktober 1937 gearresteerd en in maart 1939 tot levenslange tuchthuisstraf veroordeeld. (nisa)

1945  Aanhouding Hoogeveen

Na Hoogeveens arrestatie in juni 1945 werd hij begin 1946 door W. Albrecht van het BNV nog als majoor verkleed naar Duitsland meegenomen om Protze op te sporen; dat lukte. Protze en Skrodzki werden op 15 maart gearresteerd en naar Nederland overgebracht.Hoogeveen werd op 3 mei 1949 voorwaardelijk buiten vervolging gesteld.(nisa)

Samengevat

Dossier Folkert Arie van Koutrik, door Engelse inlichtingendienst

Gebruik http://creativecommons.org/licenses/by-nc-nd/3.0/
Onderwerpen: Folkert Arie van Koutrik , tweede wereldoorlog, dubbelagent

De Nederlandse agent, Folkert van Koutrik is tijdens de Tweede Wereldoorlog in dienst was van zowel MI5 als MI6. Door het ondervragen van Duitse gevangenen na de oorlog bleek echter dat hij in feite een dubbelagent was die door de nazi's werd tewerkgesteld met de codenaam 'Walbach'. Zijn verraad leidde tot de ontvoering van twee MI6-officieren in Venlo in 1939.

Werkzaam in Nederland vanaf 1937 en vervolgens in 1940/1941 in het Verenigd Koninkrijk werd Van KOUTRIK door SIS in 1941/1942 opnieuw in dienst genomen bij een opvangcentrum voor vluchtelingen in het VK. In 1946 werd uit ondervraging van Duitse gevangenen ontdekt dat hij in 1938 door de Abwehr 'omgedraaid' .(archive.org)

1938  Oprichting Britse dekmantel Passport Control Office (PCO) (MI5 Stevens c.s.)

Britse Geheime Dienst

1914  Al tijdens de Eerste Wereldoorlog had de Britse geheime dienst een missie in Den Haag. Deze werkte onder de dekmantel Passport Control Office (Paspoort-Controledienst).(PCO) Deze dienst onder leiding van Major R.H. Stevens, was tijdens de Eerste Wereldoorlog ingesteld om vanuit het neutrale Nederland informatie te verzamelen over het Duitse leger. Hiervoor werden veel Nederlandse contacten gebruikt die voor hun werk vaak naar Duitsland reisden. De Britse geheime dienst in Nederland was een onderdeel van de Secret Intelligence Service (SIS). Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de dienst opgericht als een uitgifteorganisatie van visa voor mensen die via Nederland naar Groot-Brittannië reisden. Na de oorlog werd dit visum afgeschaft, maar de dienst bleef bestaan als dekmantel voor de Secret Intelligence Service. (.go2war2.nl)

(Bron: Leids Dagblad, dd 15-6-1973)

Rond 1934 SIS, Admiraal Hugh Sinclair, de CSS (Chef Secret Service).Kolonel Claude Dansey een Territorial officer.
Sinclair liet het werk aan twee kolonels over, die constant in een vete gewikkeld waren. Eén van hen was Dansey die ander werk zocht en via Italië naar Zwitserland vertrok en daar de organisatie Z opzette. De tweede Kolonel Valentine Vivian, voormalig hoge politie ambtenaar uit India, had op het vasteland een aantal gecamoufleerde stations die werkten onder de dekmantel van Pasport Control Office (PCO). In den Haag zat voor Z, Payton Sigismunds Best, (Sigismund Payne Best, FO 0x, 14) een ex-kapitein van het Engelse leger, getrouwd met Maria Margaretha van Rees. Hij woonde aan de Nieuwe Uitleg 19, met de dekmantelfirma Continental Trading Company.  

Na zijn demobilisatie in 1919 keerde Best terug naar Nederland, waar hij en zijn partner in business en intelligence, PN van der Willik, een Brits bedrijf oprichtten, Continental Trade Service genaamd, Best onder houdt goede relaties met het Nederlandse koningshuis. Op vrijdagmiddag speelde hij regelmatig muziek met zijn buren, Prins Hendrik, hertog van Mecklenburg-Schwerin en echtgenoot van koningin Wilhelmina . Zijn vrouw, die hij 'May' noemde, was een relatief bekende kunstenaar en beeldde koningin Wilhelmina uit. Met de opdoemende oorlog in 1938 werd Best gerekruteerd in Claude Dansey 's Z-organisatie , een nieuwe tak van het SIS. Best kende Dansey al, nadat hij in 1917 met hem in Nederland had gediend.

Den Haag was een belangrijke plaats in het Z-netwerk, Dansey had het regionale hoofdkwartier van zijn netwerk gevestigd in de twee neutrale landen tijdens de Eerste Wereldoorlog: Nederland en Zwitserland.

De operaties van Best in Nederland stonden aan de tegenwind van een politieke storm. Hij had op bevel van Londen, maar tegen alle ambachtslieden, zijn NOC- operaties gecombineerd met die van majoor Richard Henry Stevens , een minder ervaren agent die opereerde vanuit de Britse ambassade als hoofd van een fictief "paspoortcontrolebureau". De PCO (die net als Sectie Z door heel Europa opereerde) werd gecompromitteerd voordat zijn operaties werden gecombineerd met die van Sectie Z, en het was dus eenvoudig voor de Duitsers om steek- en contraspionageoperaties uit te voeren tegen Britse agenten in heel Europa. (wiki)

Oprichting dekmantelfirma Duitsers (Abwer)

Kapitein Luitenant ter zee Traugott Andreas Richard Protze (Oom Richard) neemt ontslag en vertrekt in de herfst van 1937 naar Nederland om daar de zaak te bekijken. Gaat wonen in de Bloemcamplaan 36 in Wassenaar. 
In juli 1938 wordt hij door van Koutrik gevolgd, wordt vastgenomen en zegt dan dat hij werkt voor de Engelse geheime dienst. Van Koutrik wordt dan ook door Protze in dienst genomen.

Dubbelagent.

Onder de naam Oliver Kendall moest hij voor een vergoeding van fl 500,- de Duitse diplomaat zu Pulitz schaduwen. ( von Puttlitz, eerste secretaris, volgens PEC 4C II, 1515) Deze, zo bleek, verdacht te zijn. Protze besprak dat met de superieur van zu Pulitz, zonder de identiteit van de betrokkene te melden. Deze besprak het met een van zijn medewerkers wat in dit geval zu Pulitz zelf bleek te zijn. Gewaarschuwd op deze ongebruikelijke manier vertrok hij naar Engeland ( volgens PEC 4C II, 1515 naar Amerika) waar hij een belangrijke schakel was in de keten van antinazi's. Protze liet alle mensen fotograferen die het Pasport bureau ingingen en deze personen werden door van Koutrik geïdentificeerd, zodat de Duitsers precies wisten wie tot de Engelse geheime dienst behoorden. Protze wist ook andere SIS activiteiten op het vaste land te infiltreren. o.a. in Denemarken.In deze tijd, begin 1939, wordt de Duitse contingent contraspionnen 

(Bron: Leidsch Dagblad, dd 15-06-1973)

gewijzigd. Protze houdt zijn plaats in Wassenaar maar IIIF in Hamburg neemt de zaak over. Daar heeft kapitein von Feldman versterking gekregen van Herman J. Giskes die de zaak van de Engelse geheime dienst over nam toen zijn baas voor een drie maanden durende operatie naar Portugal werd gezonden. 

Verraad Hooper aan Abwehr

Hooper verraadde de gehele Engelse dienst aan Giskes en ging in april 1939 zelfs verder toen het er op leek dat hij uitgewerkt was. Hij vertelde dat Dr. Otto Krüger, een commandant van de Noordelijke Maritieme basis in Duitsland voor de Engelsen werkte. Alle SIS agenten in Duitsland worden opgepakt en Dr. Krüger wordt gearresteerd. Pleegt op 4e september zelfmoord, de dag nadat de Engelsen de Duitsers de oorlog hebben verklaard. Kolonel Claude Dansey geeft kapitein Best de opdracht zijn Z organisatie bij majoor Stevens onder te brengen. Van Koutrik weet dan ook snel de gegevens van deze organisatie aan de Duitsers door te geven.

1928  Werkzaamheden voor het paspoortburau (PCO)

Nieuwe Parklaan 57 Den Haag , Paspoortcontrolekantoor. In dit pand was tot in mei 1940 het Britse Paspoortcontrole Office (BPCO) gevestigd. Onder deze diplomatieke dekmantel organiseerde de Britse buitenlandse inlichtingendienst SIS/MI6 hun tegen Duitsland gerichte spionage-activiteiten (Bron: academia.edu

Vanaf 1928 ging Vrinten (alias Zwart) voor het Haagse PCO werken. Vrinten werd door een later hoofd van het PCO (Stevens) omschreven als ‘my most excellent Vertrauensmann' en Piet Brijnen, ook gelieerd aan het PCO, noemde Vrinten met diens vrouw Ploon (Apollonia) ‘natuurtalenten op het gebied van het inlichtingenwerk’.Bij Stevens’ omschrijving moet worden bedacht dat hier mogelijk sprake is van typisch Brits cynisme (nisa)

Aan de Nieuwe Parklaan 57 was het Paspoort controle bureau (PCO) gevestigd. Hoofd Hugh Reginald Dalton .
In dienst zijn: Adrianus Johannus Vrinten , een 42 jarige gepensioneerde Nederlandse speurder. Als sergeant ingeschreven. (Schuilnaam Zwart. PEC 4C II, 1515)
Zaal , een SIS veteraan uit de 1e wereldoorlog, stelde Vrinten voor de 24 jarige Folkert Arie van Koutrik in dienst te nemen. (Half 1937 volgens PEC 4 C II, 1513). Deze maakte een goede indruk op Chidson nam hem aan ondanks het feit dat van Koutrik gehuwd was met een knappe Duitse vrouw. (Schuilnaam de Jong PEC 4C II, 1515)
John William Hooper (Jack blijkt later Bill), is identiek aan (***) (Verder zal op deze pagina nog op deze familienaam worden teruggekomen)
Werkten samen met kolonel Willem van Oorschot , als agent 945 op de lijst (englandspiel.eu)

(***)Blijkens de basisregistratie personen (Stadsarchief Rotterdam) heeft Hooper, William John, geboren 23-4-1905 Rotterdam, overleden 17-11-1970, aangegeven dat hij als secretaris werkzaam is bij het 'Eng Pasp. Kantoor'. Hij is gehuwd met Nieuwenhuijzen, Maatje Hillegonda, geboren 28-2-1905 Hellevoetsluis en krijgen op 4-12-1928 een dochter genaamd Mary Joyce Geerdina en is op 1-8-1928 te Rotterdam (West) op het adres Zwaerdecroonstraat 39b gaan wonen, komende van Appledore (GB). Op 25-11-1929 verhuist het gezin naar Overschie, Torenlaan 35 en op 29-4-1932 naar de Adrianalaan 172. De ouders van William John zijn genaamd William en Elizabeth Francina Wilhelmina de Boer. Zijn ouders krijgen zoals de afgebeelde registratie laat zien geen zoon met de naam John William.

Bron: Stadsarchief Rotterdam

Bevolkingsregistratie / verblijfsregistratie, gezinskaarten familie Hooper (Bron: Stadsarchief Rotterdam)

Verduidelijking van de identiteit van de broers Hooper door F.A.C. Kluiters naar aanleiding van het boek van Ladislas Farago

Engelandspiel.nl meldt dat o.a. John William Hooper (Jack) werkzaam is voor de Pasport Control Office (PCO) In de basisisregistratie personen (BRP) in het Stadsarchief Rotterdam  wordt John William Hooper gevonden met de registratie als secretaris werkzaam te zijn voor de PCO.

F.A.C. Kluiters meldt dat hij heeft vastgesteld heeft dat Ladislas Farago in zijn boek in dit kader  'Het spel der Vossen' enige fouten heeft gemaakt. Kluiters analiserend gebruikt hij voor bovenstaande John William Hooper niet de roepnaam Jack, maar de roepnaam Bill.

De broer van John William, genaamd Herbert, die mogelijk tien jaar later geboren is als Brits staatsburger, kreeg de roepnaam Jack. Beiden zijn actief geweest voor de PCO. Bij onvoldoende informatie is het mogelijk dat niet bekend is dat twee Hoopers werkzaam zijn geweest voor de PCO.

Voor alle duidelijkheid wordt in het volgende door de auteur ingekorte verhelderende relaas van Kluiters John William Hooper, Bill genoemd en zijn broer Herbert, Jack.

Het was nadat de PCO naar Den Haag verhuisde dat Bill berucht werd. De paspoortcontrolebeambte op dat moment, luitenant Dalton, gokte in Belgische casino's. Schulden dwongen hem om in deposito's te duiken voor visums van reizigers naar Palestina. Dalton begon erop te hameren dat Bill Hooper aanvragers zou vragen om hun storting in contanten te doen. Hooper werd zich bewust van de reden en drong Dalton aan om Londen te informeren. In plaats daarvan koos Dalton op 4 september 1936 om zichzelf door het hoofd te schieten, waardoor Bill een (afscheids)brief met instructies kreeg. Daarin verklaarde hij zelfmoord te hebben gepleegd en gaf hij Hooper de opdracht om de Britse legatie en MI6 van zijn overlijden te informeren. Hooper moest ook volledig meewerken met de Nederlandse politie om de doodsoorzaak vast te stellen. 

Dalton besloot zijn brief: 'je enige fout was dat je te verdoemd loyaal was'. Major VPT (Valentine) Vivian, hoofd van contraspionage bij MI6, en commandant PS Sykes, hoofd van Section Finance, kwamen langs en nam de brief van Dalton mee naar Londen. Farago schreef: Het postmortem van de zelfmoord van Dalton had ook een andere boosdoener aan het licht gebracht, een afperser pro domo in plaats van een verduisteraar per se. Dit was John (Jack) Hooper (auteur?), de vertrouwde assistent van Major Dalton. Toen Hooper ontdekte dat zijn chef zich in het slush-fonds dompelde, probeerde hij hem aan te klagen tenzij Dalton hem tegemoet kwam. Vanaf toen deelden de twee mannen de buit, als Hooper, die er niet voor koos om Dalton in de dood te volgen, bekende hij de onderzoekers. Sindsdien blijft deze voorstelling in verschillende vormen in de 

inlichtingenliteratuur aanwezig.  In 1981 noemde Nigel West Hooper ook een afperser. Toen hij in die periode werd geconfronteerd met Vivian, deed Hooper een bekentenis en werd van de loonlijst gehaald (ontslagen). In 1984 probeerde Bill's jongere broer, kapitein Herbert Jack) Hooper, West ervan te overtuigen dat dit niet het geval was. Als lid van de PCO-staf van 1933 tot 1937 beweerde Jack Hooper dat hij een grondige kennis had van de PCO en in een brief aan West bepaalde aspecten van Bill's activiteiten uitvoerig kon toelichten. Schijnbaar lukte het hem, want West beloofde de nodige aanpassingen aan te brengen voor toekomstige editie van Ladislas Farago, 'Het spel van de vossen': Britse en Duitse inlichtingenoperaties en persoonlijkheden die de loop 

Kolonel Valentine Patrick Terrell Vivian CMG CBE (1886-1969) was de vice-chef van het SIS of MI6 en was het eerste hoofd van zijn counter-spionage- afdeling, sectie V. Het was Vivian, die tijdens een poging om nieuw bloed in de dienst, koos Kim Philby die later berucht zou worden als "The Third Man" dubbelagent en die naar de Russen overliep en aanzienlijke schade toebracht aan het systeem dat hij had geïnfiltreerd (wiki)

van de Tweede Wereldoorlog veranderden (Londen: Hodder en Stoughton, 1972) De enige aanzienlijke bedragen die door de PCO zijn ontvangen, zijn afkomstig van deposito's (elk zestig pond) die zijn gedaan door toeristen die visumaanvragen voor Palestina hebben ingediend. De visumaanvragen werden grotendeels behandeld door APCO Bill Hooper, die de aanvragers screende, hun documenten controleerde, de visa ondertekende en de bankgarantie of het geld daarvoor ontving, het geld of de garantie meenam naar Dalton voor bewaring.

Voor een deel is het volgende ook gebaseerd op correspondentie en interviews met kapitein Herbert Hooper (1992) en FAC Kluiters

Toen Jack Hooper ontdekte dat herdrukken van Wests boek over MI6 nog steeds dezelfde smadelijke verklaring bevatten, schreef hij aan West voor opheldering. West antwoordde: over een pperiode van zeven jaar kan ik niet uitleggen wat er fout is gegaan, maar ik heb de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat de vereiste veranderingen nu plaatsvinden. Aanvaard alstublieft mijn oprechte excuses voor het toezicht. Het is echter duidelijk dat West nog steeds gelooft in een slinkse Hooper. In zijn voorwoord aan het boek van Kern over de Sovjet-inlichtingenofficier Krivitsky, gepubliceerd in 2003, schrijft West: op zijn minst impliceerde deze (Krivitsky's kennis van de paspoortcontroleambtenaren en de PCO als coverorganisatie] enige succesvolle Sovjetpenetratie van SIS en misschien iets ergers, vooral toen hij John (Bill) Hooper heette, een Brit die was ontslagen uit het SIS-station in Den Haag, als een van zijn bronnen. BILL HOOPER AND COMMUNISM In 1920 begon Bill Hooper op 15-jarige leeftijd te werken bij het paspoortcontrolebureau in Rotterdam. Volgens hem was hij geïnteresseerd in zaken die met het communisme samenhangen. In 1923 stapte hij over naar het consulaat, maar in 1927 werd hij benoemd als griffier bij de PCO en begon informatie te verzamelen over het communisme en Nederlandse communisten. Op een gegeven moment kreeg hij van commandant Fletcher opdracht om naar agenten te zoeken tegen de Duitsers en hij slaagde erin een anti-Duitse organisatie op te zetten. PCO-agent Vrinten (die later zal worden geïntroduceerd) zei in 1933 dat, terwijl de afgelopen jaren de Britse inlichtingendienst zich in de eerste plaats bezighield met communistische propaganda en wapendeals op weg naar India, de activiteit naar Duitsland was opnieuw een prioriteit geworden en had een intense heropleving ondergaan. Kort samengevat: dit waren de activiteiten van Bill Hooper, zoals hij zelf in oktober verklaarde. Voordat ze dieper ingaan, moet aandacht worden geschonken aan zijn activiteiten met betrekking tot het communisme.

Hooper en Pieck

Volgens Jack Hooper had zijn oudere broer al in 1934 of 1935 een bevel ontvangen van admiraal Hugh Sinclair, hoofd van MI6, om de kring van kennissen van de Nederlandse communist HC (Han) Pieck te infiltreren. Deze man was al op de hoogte van MI6. Het was inderdaad in dit jaar dat MI5 een dossier op Pieck startte, het eerste document was een uittreksel uit een MI6-rapport van 24 maart. Vervolgens slaagde Bill erin deel te worden van een groep Nederlanders die hielpen Joden te ontsnappen uit nazi-Duitsland. Eén man van deze groep, de Internationale Rode Hulp, was de advocaat Simon de Vries, die volgens Hooper politiek gezond was en in de jaren twintig al enkele jaren getrouwd was met Bernie van Lier, die later de vrouw van Pieck werd. Ze besloten om Bill te bedanken voor zijn hulp door hem een ​​schilderij voor te stellen van zijn oudste dochter, Mary Joyce, gemaakt door Han Pieck die een bekende kunstenaar was, net als zijn tweelingbroer Anton Pieck. Een naoorlogs onderzoek door de Nederlandse veiligheidsdienst Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) concludeerde dat het min of meer op deze manier Bill met Han was. Echter, in 1939 verklaarde Bill Hooper zelf dat hij op 30 januari 1935 een rapport over het communisme in Nederland en Pieck indiende . 

Pieck en King

In februari was Han Pieck erin geslaagd kapitein John Herbert (Bertie) King te recruteren, die zich bij de afdeling communicatie van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken had aangesloten als tijdelijk klerk, voor de Sovjetrussische NKVD. Na de overdracht van King van Genève naar Londen moest Pieck er vaak heen. In een brief van H. Hooper naar West, en letter West naar H. Hooper. De PCO was gevestigd aan de Maasstraat 16 in Rotterdam. In de jaren dertig werd het verplaatst naar de Nieuwe Parklaan 57 in Den Haag. De minuutbladen van TNA KV 2/809 leggen vast dat MI6 telefonisch over de aanwezigheid van Pieck in Londen heeft gerapporteerd. Hij keerde via Harwich terug naar Den Haag.

Christopher Andrew Vasili Mitrokhin, Het Mitrokhin-archief: de KGB in Europa en het Westen (Londen: Penguin 1999In augustus 1929 bezocht Pieck de Sovjet-Unie en volgens zijn vrouw Bernie begon hij volgens MI5 voor de Russen te werken. in 1929 was Pieck belast met het penetreren van het Britse ministerie van buitenlandse zaken. Hij vestigde zich in Genève als een kunstenaar, hij begon voor de Russen te werken.

Lezing BVD over Bill Hooper

In de BVD-inzagemap inzake Hooper stond vermeld:

‘Het vermoeden bestaat, dat (Bill) Hooper ook na zijn ontslag bij het B.P.C.O. [British Passport Control Office] op de één of andere wijze aan de Engelse dienst verbonden bleef. Over zijn exacte positie in dit verband zijn geen gegevens voorhanden. Het meest aannemelijk lijkt, dat hij min of meer "uit de vrije hand" voor de Engelse dienst is blijven werken.’

Volgens captain Herbert (Jack) Hooper, zijn jongere broer, had Bill enige tijd na zijn ontslag een brief gekregen, waarschijnlijk van een Engelsman, waarin belangstelling werd uitgesproken voor het doen van zaken. Bill vroeg Londen om advies. Hij kreeg toestemming in te gaan op de brief en vanaf toen ontwikkelde zich een Spiel.
We volgen nu even het BNV-ondervragingsrapport: ‘Tijdens het eerste treffen Bill HOOPER-GISKES (April 1939 te KEULEN) gaf eerstgenoemde geen inlichtingen, doch kwam met het volgende voorstel: het opnemen van contact met Lord VAN SITTARD [Sir Robert Vansittart, Chief Diplomatic Adviser to Foreign Secretary], door middel van zijn relatie met PIEK, architect uit DEN HAAG. Genoemde relatie stond op zeer vriendschappelijke voet met VAN SITTART’s secretaresse. Zowel VAN SITTART als PIEK zouden betrekkingen onderhouden hebben met de Russische inlichtingendienst (het contact van PIEK liep via Zwitserland). Bill HOOPER zou een Rus, met gefingeerde opdracht van de Russische dienst, naar PIEK toesturen om het contact wederom nauwer aan te halen. VAN SITTART zou het door PIEK van hem verlangde materiaal aan de gefingeerde Russische dienst, in feite de Abwehr, overhandigen. Voor genoemde actie zou Bill HOOPER  F. 500 per maand verlangen.’ Het eisen van een relatief hoge som gelds zou de betrouwbaarheid der gegevens alleen maar benadrukken. Berlijn wees het voorstel als te fantastisch zijnde af en dat was het ook. We kunnen hierdoor hooguit vermoeden dat Bill Hooper in die tijd naast MI6 ook Vansittart van dienst was: Vansittart hield er toen een soort privé- inlichtingendienst op na. Volgens Hoopers jongere broer, captain Herbert (Jack) Hooper, toentertijd net als zijn broer.

1950 Benadering communist Han Pieck door BVD

(...) De BVD raakte geïnteresseerd in eventuele actuele aspecten van het vooroorlogse spionagenetwerk waarvan Pieck en Krivitsky deel hadden uitgemaakt. Han Pieck werd in maart 1950 benaderd door een BVD-medewerker met het alias Van Oosterzee met de vraag of hij wilde uitweiden over zijn oude communistische kameraden. Voor het verifiëren van Van Oosterzees bona fides schakelde Pieck zijn kennis Vrinten in. Ze kenden elkaar al sedert 1937/1938 en Vrinten werkte na de oorlog bij het Kabinet van de Afdeling Politie van Justitie. Han was de BVD uiteindelijk ter wille, al vertelde hij lang niet alles. Volgens Cornelissen werd Pieck geconfronteerd met de aanwezigheid van zijn eigen paperassen in het BVD-archief en was hij ‘volkomen overdonderd’. Dat moet dan in 1950 of later zijn gebeurd. Hij hielp ook MI5 tijdens een bezoek van enkele dagen in april 1950 aan Londen, waar hij vooral vertelde over de activiteiten van de ‘Sovjetdienst in Engeland in het tijdvak van 1936-1939’.
Boeiend is nog een onvermoede relatie uit 1955; hoe groot is dat wereldje nu feitelijk? In dat jaar werd een poging ondernomen een tentoonstelling in te richten over Europese integratie; bij die poging werd Piet Brijnen betrokken, de eerder ten tonele gevoerde inlichtingenman. In maart 1955 werd met hem gesproken over salaris, representatievergoeding, kosten van buitenlandse reizen en over kantoorhuur. Het kantoor bevond zich ten huize van Han Pieck.

(...) Bill Hooper werd in Londen hoofd van een eenmansbureautje dat onder MI6 ressorteerde; Vrinten die er in juli 1940 kwam werken
vertelde dat Bill Hooper ‘belast was met het organiseren van een dienst voor parachutisten in Nederland'. Mogelijk werd
zijn afdeling B24 genoemd; dezelfde waar Van Koutrik aan verbonden was. Bill Hooper en Vrinten verdwenen er medio
december 1940: ‘Toen we goed en wel aan de gang waren, werd het zaakje afgenomen en kwamen er andere heren.’ Vrinten merkte nog op: ‘Hooper en Rabagliatti konden samen niet goed overweg. Rabagliatti wilde de zaak in eigen hand houden'. In Londen werd Bill Hooper door diverse omstandigheden, verwikkelingen rond zijn persoon en tegenstellingen tussen de Engelse en Nederlandse geheime diensten en de politieke consequenties daarvan, bij MI6 uitgerangeerd; hij ging toen voor MI5 werken. Het was Bill Hooper gelukt vrijwel iedereen zand in de ogen te strooien – na de oorlog bleef ook de BVD over hem twijfelen – maar dat had als consequentie dat hij niet langer echt vertrouwd werd. Buiten dat werd hij een speelbal van hogere machten.

1940  Vlucht naar Engeland met o.a. van Koutrik

Op 10 mei 1940 vertrekken Vrinten en Koutrik naar Engeland.(PEC 4C II, 1518) Koutrik wordt op 5 augustus 1943 ontslagen bij de Patriotic School (RVPS) wegens misbruik van fondsen (volgens eigen zeggen wegens disloyalty, contact met (auteur: Abwehr agent) Hoogeveen!) (Een ander nog nader uit te zoen verhaal gaat over de te lage inkoop van sieraden bij vluchtelingen daar hij hen verkeerd heeft voorgelicht)

Op de dag van de Duitse inval slaat Vrinten op de vlucht, zijn complete kaartsysteem achterlatend. Schuld hiervan is in de eerste plaats Vrinten zelf. Zijn naaste medewerker  F.A. van Koutrik, wil de spullen wel ophalen maar wordt door Vrinten bedreigd. Die 10de mei heeft Vrinten zo’n haast het vege lijf te redden dat de documentatie vergeten wordt.

SS 'Malines'

Met het personeel van het Engels consulaat en andere medewerkers gaat hij aan boord van de ‘Malines’, een oud schip van de Harwich-line (1921-1948). Men vindt het blijkbaar niet meer nodig Hensen en anderen te waarschuwen. Op 7 oktober 1940 wordt Hensen gearresteerd; hij woont op dat moment met vrouw en drie zoons bij zijn ouders in de Tweede Zeine. Hij wordtmeegenomen naar de strafgevangenis in Scheveningen, het

zogenoemde ‘Oranje-hotel.’ Daar wordt hij vaak en hardhandig verhoord, maar laat volgens de familie niets los. In een pension in Kaatsheuvel heeft de toch wel zeer nonchalante Vrinten twee koffers achtergelaten met de complete boekhouding van alle gemaakte kosten en betalingen! Dat zal veel mensen het leven kosten (Wiki)

Werkzaamheden Vrinten in Engeland

Nadat  Vrinten naar Engeland samen met de familie van Kouterik (vrouw en mogelijk kinderen).treedt hij Juni 1940 in dienst van de aanloop tot SOE. Juli 1940 onder leiding van Hooper, bij de Home Office (binnenlandse zaken) 15 December 1940 in Nederlandse dienst, CID onder F. van.'t Sant. Toen CID verdween ging hij naar Politie Buitendienst onder Derksema, tot 1946 (Engelandspiel.eu)

'14 October 1948 A. J. J. Vrinten, ambtenaar bij het Departement van Justitie' ( Bron: Verslagen omtrent de stand van de werkzaamheden der Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940—1945) 

Vertrek Vrinten en van Koutrik naar Engeland / ontslag / onderzoek na WOII

Op 10 mei 1940 vertrokken Vrinten en Van Koutrik met hun gezinnen naar Engeland, waar zij beiden werden ingeschakeld bij de contraspionage. Op een gegeven moment werd Van Koutrik daar door de Engelsen ontslagen en door de Nederlanders opgeroepen in militaire dienst. Hij werd geplaatst bij de Onderzeebootdienst in Dundee, Schotland. om aan een andere baan te komen had hij onder andere contact met F. van ’t Sant, de persoonlijke secretaris van koningin Wilhelmina, maar dit liep op niets uit. In de tweede helft van 1945 werd Van Koutrik overgeplaatst naar Rotterdam, waar hij op 1 mei 1946 tijdelijk werd bevorderd tot sergeant-majoor. Het Bureau Nationale Veiligheid ging op 18 juni 1946 over tot zijn arrestatie vanwege ‘ernstige bezwaren’ die tegen hem waren gerezen.Hij erkende zowel ten gunste van Engeland als Duitsland te hebben gewerkt – een houding die in zijn woorden ‘zeer zeker laakbaar’ was – maar nooit ten nadele van Nederland. Tijdens zijn detentie stelde hij in een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling dat ‘geen Nederlandse belangen werden geschaad'. In de marge van zijn brief werd het volgende commentaar geschreven: ‘wel geallieerde belangen - in elk geval werd de Duitsche Zaak gediend’. Waarschijnlijk omdat vooroorlogse spionage, niet ten nadele van Nederland, niet strafbaar was, werd hij op 18 juni 1948, exact twee jaar na zijn arrestatie, voorwaardelijk buiten vervolging gesteld. Het bleek moeilijk te zijn om de arrestatie van Nederlanders door de Duitsers na mei 1940 enkel en alleen aan Van Koutrik toe te schrijven. Naast de door Protze in beslag genomen koffer of koffers werden op Vrintens kantoor ook nog diverse documenten gevonden met bijzonderheden over voor het PCO werkende Nederlanders. Van Koutriks mededelingen en Vrintens documenten hebben mogelijk gezamenlijk geleid tot de gevangenschap en/of dood van een aantal Nederlanders. De Jong maakt de balans op voor wat betreft de gevolgen van het handelen van de combinatie Vrinten-Van Koutrik: ‘Van slechts vijftien hunner [van de vele tientallen agenten] zijn de vonnissen bewaard gebleven: drie, onder wie Hensen, werden ter dood veroordeeld, de overige twaalf tot gevangenisstraffen, variërend van tweeënhalf tot tien jaar..  Engelen, de auteur van Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, verwijt Vrinten niet te hebben gedacht aan het meenemen of vernietigen van de ‘cartotheek met namen van zijn sub-agenten’. Hij relativeert die beschuldiging door te wijzen op Van Koutriks verraad, maar de beschuldiging op zich blijft overeind. Gezien zijn bronverwijzing baseert hij zich kennelijk op De Jong die zich op zijn beurt zal hebben gebaseerd op Van Koutriks naoorlogse mededelingen, maar deze moeten toch vooral worden bezien in het licht van een poging zichzelf minder slecht voor te doen door twijfel te zaaien over de integriteit van Vrinten. Vrintens ‘schuld’ werd zelfs op hoog niveau besproken, want in september 1946 berichtte Einthoven, hoofd van de Centrale Veiligheidsdienst, aan het Kabinet der Koningin: ‘Beste Marianne, Hierbij is de nota over Vrinten [niet in het dossier aangetroffen], waarom Hare Majesteit heeft verzocht. Gezien het bovenstaande kan flink worden afgedongen op de ‘nalatigheid’ van Vrinten. (nisa). 

Onderzoek naar Vrinten en van Koutrik door kapitein der mariniers Lieftinck en voormalige buurman Avenue Concordia Rotterdam, Bingham

Levensbeschrijving¸ functies en "beroepen" van Seymour  Bingham.Seymour

Bingham (19-10-1898 Rotterdam- 22-10-1959 Rotterdam), Huwelijk op 19 november 1896 te Rotterdam  25 jaar oud. Bruid Ottolina Lels, geboren te Rotterdam, 25 jaar oud. Vader van de bruid: Hessel Murk Lels. Moeder van de bruid: Teuntje Kloos . Vader: Seymour Bingham. Moeder: Mary Davis Playsted.

Seymour Bingham kent Zaandam goed daar Cornelis Bruynzeel hem in 1933 een baan heeft bezorgd bij de gelijknamige Zaanse deurenfabriek. Bingham senior was getrouwd met een zuster van Bruynzeels echtgenote. Op haar sterfbed, in 1933, heeft directeur Bruynzeel zijn schoonzuster beloofd om Seymour in dienst te nemen, een toezegging die hij gestand doet. Seymour Bingham verricht zijn werk in Zaandam naar behoren, maar Bruynzeel mag hem evengoed niet: “Hij was ongehoord nationalistisch.”

Seymour Bingham (19-10-1898 Rotterdam- 22-10-1959 Rotterdam),

Begin 1940 verruilt Seymour Bingham zijn woning aan de Provincialeweg in Zaandam voor een Amsterdams onderkomen.Hij heeft namelijk een paar maanden eerder een baan geaccepteerd bij het Engelse consulaat in de hoofdstad. Tijdens de Duitse invasie lukt het hem om naar Londen te ontkomen, waarna hij een carrière opbouwt binnen diverse inlichtingendiensten. In die hoedanigheid zal hij een belangrijke rol spelen bij het wel, maar vooral het wee van de Zaanse Engelandvaarder. (eriksgaap.wordpress.com)

Aan het Rokin in Amsterdam, staat "De Rijnstroom". In september 1939 was het Britse consulaat-generaal ondergebracht op de derde etage van het uit de jaren twintig daterende gebouw, boven de toen al fameuze sigarenhandelaar P. G. C. Hajenius. Een van de medewerkers op het consulaat-generaal was Seymour Bingham.

Tijdens de Duitse invasie in mei 1940 vluchtte hij naar Engeland, waar hij bij MI5 terechtkwam. Daarna kwam hij bij SOE terecht. Deze organisatie was opgericht om in bezette gebieden sabotageacties te plegen en om ondergrondse strijdgroepen op te zetten. Bingham kreeg de leiding over de SOE-Dutch Section. In deze functie was hij betrokken bij het Englandspiel, een door de Duitsers opgezette operatie waarbij de door de SOE gedropte geheime agenten gebruikt werden om de Engelsen te misleiden.

(Bron: Englandspiel.eu)

Hoewel de gevangen genomen agenten de SOE-Dutch Section op alle mogelijke manier waarschuwden, bleven de Britten mensen sturen. Het wordt nu langzaam bekend dat de SOE moedwillig Nederlandse agenten hebben opgeofferd, om de Duitsers op hun beurt weer te misleiden. (Uit: Duister Amsterdam. Wandelen langs spionageadressen)

Uit zijn TNA file zijn de volgende gegevens gehaald.
Op 10 november 1941 wordt aan AD/A (..), op het adres Inter-Services Research Bureau (I.S.R.B.), 64 Bakerstreet, medegedeeld dat Sir David (..) geen bezwaar maakt tegen de overplaatsing. SB krijgt het symbol N.4.A.
12 november 1941 SB tekent de Offical Secret Acts, 1911 and 1920.
Op 5 februari 1942 wordt SB ingeschreven in het officiersregister in de rang van kapitein.
Wordt nog verder uitgewerkt.

Op 7 juni 1944 vertrekt Bingham naar Australië. Precies een dag na de landing in Normandië, zat zijn taak hier er op? Hij tekent op 27 juni 1944 een Commonwealth of Australia security acknowledgement in Melbourne. Het document heeft als kop "Z Special Unit".

Tot kort voor de Duitse inval woont deze in Rotterdam geboren Engelsman (Seymour Bingham A.W.) op de Zaandamse Provincialeweg en werkt hij bij Bruynzeel. Hij slaagt er in om tijdig naar zijn vaderland te ontkomen. Dit staat op de website van het Zaanse verzet.(englandspiel.eu)

Vanaf midden 1943 hoofd SOE Dutch Section. Aan deze vier feiten koppelt de auteur  de constatering dat duidelijk is dat de Dutchh Section van SOE aan de security check praktisch geen aandacht heeft besteed. Ter ondersteuning daarvan citeert hij Seymour Bingham, toen plaatsvervangend hoofdd van de sectie, die tegenover de voorzitter van de Enquêtecommissie verklaarde

dat er in mei 1943 een periode van twijfel geweest is, reden waarom alle relevantee telegrammen door een lid van M15** zijn onderzocht; diens oordeel luidde datt alles in orde was. Aan die mededeling knoopt De Jong de suggestie, dat men daaruit zou moeten afleiden dat de betrokken MI5-officier óók geen begrip had vann de toepassing van vaste security-regels. Dat is een onnodig tendentieuze interpretatie van een feit dat serieuzere aandacht verdiende. Volgens De Jong zag SOE Dutch Section deze alrmsignalen neit (UvA-Dossier Nordpol. Het Englandspiel onder de loep - Wolters, J.P.M.H.).

Kapitein der Mariniers Henricus Lieftinck (24-7-1907 Groningen -  >1997)

kapitein Lieftinck

Bevolkingsregistratie, gezinskaart  H. Lieftinck (Bron: openarch.nl)

Kapitein der Mariniers Henricus Lieftinck (24-7-1907 Groningen - >1997)

Burgerlijke Stand Hummelo en Keppel - Huwelijken: Henricus Lieftinck, oud 24 jaren, geboren te Groningen, officier der mariniers, wonende te Rotterdam, meerderjarige zoon van Tonko Lieftinck, oud 59 jaren,
sigarenfabrikant en van Margareta Gerhardine Fisser, oud 47 jaren, zonder beroep, beiden wonende te Groningen, huwt 11-1-1932 Mathilde Luise Roser, oud 21 jaren, geboren te Semarang, zonder beroep, wonende te Hummelo en Keppel, 

Hoofd van de MID (Marine Inlichtingen Dienst) is kapitein der Mariniers H. Lieftinck, onderdeel van de (Centrale Inlichtingen Dienst) CID - tijdelijk onder leiding van De Bruijne tot juni 1942. Deze 

was tevens hoofd van het Bureau Voorbereiding Terugkeer (BVT), welk bureau per juli 1942 met een aangepaste taak en naam, Bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer (MVT), onder zijn leiding de samenwerking metde SOE voortzette.Lieftincks MID, nu Militaire Inlichtingen Dienst genoemd ressorteerde met een eveneens aangepaste taak  vanaf juli onder het MVT.

Englandspiel-kolonel De Bruijne en kapitein Lieftinck (r)

 

(F.A.C. Kluiters,De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten 's-Gravenhage 1993), Generaal-majoor der mariniers H. Lieftinck 17-7-1958 – 1-7-1960: “Commandant van het Korps Mariniers” (Wiki)

Klaagbrief Vrinten naar aanleiding van verhoor Royal victoria Patriotic Schools (RVPS)

Bron: https://www.englandspiel.eu/doc-foto-spelers/Klaagbrief.pdf

A.J.J.Vrinten - Nederlandsche Centrale Dienst

Bezwaarschrift~alleen bestemd voor Nederlandse Autoriteiten

Ik meen mij ernstig te moeten beklagen over de wijze van ondervraging door den kapitein der Mariniers LIEFTIINK, tijdens het verhoor, hetwelk ik heden morgen moest ondergaan, in het bijzijn van een Officier van het Britse inlichtingen dienst, genaamd BINGHAM.

De aanwezigheid van laatstgenoemde verhinderde mij de vragen op de, juiste manier, d.w.z. rechtstreeks te beantwoorden. Indien ik dat toch had gedaan, dan zou ik niet alleen het prestige van dhr. JACKSON hebben geschaad, doch hem vermoedelijk in grote moeilijkheden hebben gebracht; dit laatste was m.i. Kennelijk de opzet van dhr. BINGHAM, ik bedoel kapitein BINGHAM. .Deze ziet in JACKSON de verstoorder van zijn spel, hetwelk hij heeft verloren.

JACKSON is nl. de opvolger ,vroeger ondergeschikte van BINGHAM in de RVPS (Royal Victoria Patriotic Schools). BINGHAM is van Engelse nationaliteit, vermoedelijk geboren op het continent, althans het grootste gedeelte van zijn leven in Nederland doorgebracht, waar hij heeft school gegaan, is opgevoed, zijn werk heeft verricht. Vermoedelijk kwam hij voor het erst in zijn Vaderland, toen de Duitse invasie in Nederland hem dwong naar Engeland te vluchten. Hij is de zoon van een in de Avenue Concordia te Rotterdam wonende handelaar in benodigdheden ik meen zeilschepen etc. Hij zelf was bediende bij de firma Bruynzeel. Toen daar geen werk meer voor hem was, kreeg hij een ondergeschikte betrekking bij de Britsche Naval Control te Amsterdam.

Over zijn gedragingen aldaar zou de vroegere viceconsul (beroeps) dhr. LEE, thans werkzaam in een afdeling bij het Ministry of War Transport, indien hij dat zou willen doen, heel wat interessants kunnen meedelen, aangezien deze hem van nabij, te Amsterdam, heeft leren kennen. Ik kan U hier iets meedelen over zijn karakter en zijn manier van werken. In het begin van September 1940 was hij een der zogenaamde examinators van MI5 te Londen. Hij kreeg opdracht om zich naar het Zuiden van Engeland te begeven, waar drie van de vier verdachte Duitse spionnen waren gevangen genomen en dienden te worden ondervraagd. Ik was toen assistent van dhr. HOOPER Sr. En belast met gedeeltelijke rekrutering van Nederlanders, voor speciale diensten in nauwe samenwerking en in overeenstemming met Nederlandse autoriteiten/in casu den Minister President. Dhr. HOOPER verzocht mij toen in opdracht van

zijn chefs, als adviseur met dhr. BINGHAM te vertrekken. Ter plaatse had hij, zoals dhr. HOOPER en ik reeds hadden verwacht het hoogste woord, doch bij het onderzoek bleek hij in alle opzichten de mindere. Gedurende de ondervragingen rende hij van den ene chef naar den andere teneinde dezen steeds op de hoogte te houden van den stand van zaken, zodat deze zaak, welke de eerste was in Engeland en zeer geheim, nog voordat we daarmee klaar waren een publiek geheim was geworden. Toen dan ook later de bekwame HINCHLEY COOK, van mij vernam dat op de plaats van onderzoek maar liefst 17 mensen van allerlei rang, niets met de zaak uitstaande hebbende, op de hoogte waren van hetgeen er gebeurde, was hij zeer verwonderd. De vierde man werd, nadat de collega van dezen en nog een ander aan mij hadden bekend, door den Duitse geheimen dienst naar dit land te zijn gezonden, en precies hadden meegedeeld hoe en waar zij hun opleiding hadden ontvangen, door mij ontdekt, tijdens een door mij voorgestelde klopjacht in de omgeving. Ook deze werd door mij tot bekentenis gebracht, dit was een Duitser. (Afschrift van rapporten werd aan den Centrale Dienst gegeven, omdat hier drie Nederlanders, althans houders van Nederlandse paspoorten bij betrokken waren). Dank zij de kleverige tong van dhr. BINGHAM die ik voor het maken van zijn rapporten aan zijn chefs, nog van afschriften der werkelijke verhoren moest voorzien, ging dhr. BINGHAM met de eer strijken, werd vervolgens belast met het verdere onderzoek onder leiding van Kolonel HINCHLEY-COOK en zou ik tenslotte alleen in aanmerking komen, om als kroongetuige te dienen, omdat dhr. BINGHAM niet durfde. Ik heb de Kolonel wel duidelijk te verstaan gegeven dat ik daarin geen trek had. BINGHAM is dus zoals boven duidelijk blijkt een, zoals de Engelsen dat uitdrukken, “CLIMER", iemand, eveneens een uitdrukking welke vaak door Engelsen wordt gebezigd, als zij spreken over een Engelse onderdaan komende van het continent hij is meer Engels dan de beste Engelsman omdat dit soort mensen, elke vreemdeling, doch speciaal de geallieerde wantrouwt.

JACKSON is Nederlander van geboorte, jaren in Engeland woonachtig en zoon of zonen in Engeland geboren, dienen in het Engelse leger. Hij is of zal vermoedelijk spoedig genaturaliseerd worden.

Niettemin blijft hij voor BINGHAM een vreemdeling, waarbij dan nog komt, dat de plaats van BINGHAM door JACKSON werd ingenomen, nadat was gebleken dat BINGHAM niet in staat was ,deze speciale dienst in de RVPS met goed gevolg te leiden. Door zijn contacten met Broad Way Buildings, ik zou haast zeggen door middel van zijn intriges is hij kunnen stappen in de schoenen van een voorganger, die men heeft ontslagen of althans overgeplaatst, omdat de Nederlandse autoriteiten niet konden goed vinden, dat men doende bleef met het verdonkeremanen van Nederlanders, door deze te gebruiken als agenten etc. zonder toestemming of liever gezegd zonder medeweten, der Nederlandse autoriteiten. Als leider van den veiligheidsdienst in de RVPS heeft de heer BINGHAM daaraan dapper meegeholpen. Hij gaf de tips door aan òf kapitein LOEWE òf den vroegere Handelsattaché in den Haag, dhr.

LAMNG. Deze zorgden dan voor de opleiding van de mensen die zij op die manier of op een andere, konden machtig worden. ln sommige gevallen is het duidelijk gebleken dat men geen goed materiaal koos, zelfs is het gebeurd dat men oud-NSB-ers aannam voor die speciale opleiding. Zie daarover mijn desbetreffende rapporten. Deze meneer BINGHAM, die dus voor de invasie nog nooit had gehoord van het bestaan van dat soort diensten, zwaait hier de scepter en bepaalt of een Nederlander al dan niet wordt opgeleid, en deze heer brengt het zover, dat hij een ambtenaar in functie niet alleen onder verdenking brengt, doch zelfs gelegenheid krijgt bij het verhoor van dezen ambtenaar door den kapitein LIEFTINK, aanwezig te mogen zijn. Hij is door deze handeling veel wijzer geworden en heeft bereikt dat:

  1. de verhouding tussen mij en JACKSON, die hem een doorn in het oog was, zeer verkoeld is,
  1. indien nog ooit van samenkomen sprake kan zijn, vanzelfsprekend geen vertrouwelijkeuitwisselingen meer zullen geschieden en dus voor ons een zeer goed contact verloren is gegaan
  1. vanzelfsprekend maakt hij over deze “internationale rechtszitting” een rapport aan zijn chefs, waaruit zij zullen destilleren dat de kapitein LIEFTINK een nieuweling in dit vak isen verder uit deze gebeurtenis een les zullen trekken en thans zeker zullen volharden in hun steeds aangenomen houding dat Nederlandse ambtenaren, verdachte Engelsen niet mogen horen, zelfs bij een verhoor niet aanwezig mogen zijn. Ik verwijs hier speciaal, naar mijn rapport en de daarin genoemde Engelsman in de zaak “stuurman

APELDOORN” die berichten over bewegingen van schepen had gegeven. Zo zijn er nog enige winsten die BINGHAM heeft gemaakt, doch waarop ik hier thans niet nader wil ingaan.

En nu kom ik tot de zaak zelve. Toen ik de RVPS op verzoek bezocht, deelde JACKSON mij mede dat hij Rudi van der LAAN , een Nederlandse 2e luitenant, gezien zijn gedragingen etc. Indien deze zou worden vrijgelaten (hij was toen nog steeds verdacht) niet gaarne als officier in het Ned. Leger zou willen zien. Mijn antwoord daarop vindt U in mijn rapport hetwelk ik direct na mijn terugkomst op het kantoor heb gemaakt en aan de kapitein DERKSEMA heb overhandigd. Ik had reeds enige weken over v.d. LAAN gehoord bij mijn bezoek aan Oratory School waar hij en zijn medereizigers in quarantaine waren JACKSON heeft mij die middag in de RVPS, na eerst zijn verlangen te hebben te kennen gegeven, vertrouwelijk inzage gegeven van de beschuldigingen en verhoren van de

medereizigers van v.d. LAAN, waartoe hij ingevolge instructies niet gerechtigd is, wat hem zelfs verboden is. Later heeft hij van der LAAN binnengeroepen en heb ik hem in het Nederlands enkele vragen gesteld, waarover ik eveneens rapporteerde. Ik heb me bij die

gelegenheid niet aan hem laten voorstellen, dit gebeurde opzettelijk en vind ik dat soms onder omstandigheden beter. Nadat hij was weggezonden, hebben JACKSON en ik nog enige tijd over het geval gesproken en hij was, evenals ik, van mening dat de waarde van de rapporten, door zijn ondergeschikten gemaakt, niet zo groot was dat daarin aanleiding kon worden gevonden de man nog langer daar te houden. Hij zou hem dan wel sturen. J.I. Zaterdag kwamen JACKSON en HOOPER bij mij boven op de kamer en JACKSON

verzocht mij met hen te gaan lunchen. Dhr MOLENAAR nam op mijn invitatie eveneens aan deze lunch deel. Toen wij geëindigd waren met het gesprek over de indruk die zij hadden van A.M. de JONG, Consul-generaal te Stockholm, met wie zij op invitatie van dhr. DERKSEMA hadden geconfereerd en terwijl de heren HOOPER en MOLENAAR tezamen spraken, vroeg JACKSON mij “wat hebben jullie met van der LAAN gedaan" waarop ik hem heb meegedeeld dat hij in de afdeling van speciale diensten was, en BINGHAM hem dus mede behandelde.

JACKSON,gaf duidelijk te kennen, dat hij dat liever niet had gezien. Ik meen dat ik dit zelfs aan kapitein DERKSEMA heb meegedeeld, te samen met een andere mededeling over dhr. van KOUTRIK, waarover JACKSON een rapport had geschreven, en zelfs te kennen gaf dat zulk een man eigenlijk in de gevangenis thuis hoorde. Kort daarna zijn wij uiteengegaan en vergezelde dhr. HOOPER ,dhr. MOLENAAR en mij tot aan het kantoor.

Ik vertrouw mijn uiteenzetting van dit geval duidelijk. genoeg is en kan het mij alleen spijten dat thans, m.i. door het onoordeelkundige optreden van de kapitein LIEFTINK een goed contact voor mijn werk zo goed als zeker verloren is gegaan en indien men thans nog van mening. Is, dat. ,ik mijn mond voorbij zou hebben gepraat, dan ben ik nu nog zo vrij dat te bestrijden door hier nog even de aandacht te vestigen op het feit dat de heren BINGHAM en JACKSON regelmatig met elkaar in contact zijn en dat JACKSON steeds op de hoogte is van de namen van de mensen die voor BINGHAM werken.

Dat contact is zoals ik hoop dat begrepen wordt, strikt zakelijk. BINGHAM heeft als regel inzage in de stukken en het spreekt vanzelf dat hij die moet hebben als hij mensen gebruikt die in de RVPS zijn geweest. Hij heeft dit vanmorgen zelf verklapt, door te zegge dat JACKSON in zijn rapport had geschreven de Nederlandse diensten gewaarschuwd te hebben. JACKSON weet dus heel goed welke rapporten BINGHAM ter inzage heeft gevraagd. Een heel ander ding en dat is natuurlijk vreemd, dat de Engelsen, indien dit zou zijn geschied, alleen volstaan met een mondeling gegeven waarschuwing.

En een nog vreemder ding is dan m.i. Dat al deze zaken zo openlijk geschieden, dat zelfs van der LAAN op de hoogte is van hetgeen er met hem en om hem heen gebeurt, dat hij daarvoor althans voor zijn eigen zaak naar de kolonel de BRUYNE loopt en dat hij in staat is mij te vertellen dat de Engelsen hem thans niet willen hebben en hem niet vertrouwen.

MIJ NEEMT MEN ECHTER KWALIJK DAT IK BEVESTIG WAT ANDEREN REEDS LANG WETEN EN OPENLIJK BESPREKEN.

PS

De heer HOOPER deelt mij thans nog mede dat hem geen mededeling is gedaan dat v.d. LAAN onder voorwaarden zou zijn ontslagen.

Alleen de zaak van de stafkaarten zou door een Nederlandse rechtbank te worden onderzocht.

Uit Nat Archief 02.09,06 / 4913 [1942]

Opgesteld 24-03-2012 A.W.

Sonderfahndungsliste

Vrinten staat na het 'Venlo incident' als agent voor de Britten op de 'zwarte lijst', als volgt: "Adrianus Johannes Josephus Frinten (Alias Vrinten) (13. November 1893 in Loon Op Zand, Niederlande): Britischer Nachrichtenagent, involviert in Angelegenheit Stevens/Best; zuletzt gesehen in Rotterdam; gesucht von Referat IVE4"

Die Sonderfahndungsliste G.B. (Sonderfahndungsliste Großbritannien) war ein im Frühjahr 1940 im Reichssicherheitshauptamt (RSHA) zusammengestelltes umfassendes Verzeichnis mit den Namen und Personalien von 2820 Personen.  Reinhard Heydrich, the original chief of the RSHA, as an SS-Gruppenführer in August 1940. (7) 

Conclusie voor wat betreft zijn (triple) inlichtingenrol

Infiltratie door Duitse Abwehr

De Britse geheime dienst was vrij vroeg al geïnfiltreerd door de Duitse Abwehr. Onbekend voor Vrinten, was dat eind jaren dertig de Duitse Abwehr al in zijn organisatie was binnen gedrongen. Friedrich Günther, een dubbelspion, een Abwehr-agent van de Abwehrstelle Hamburg was toen al medewerker bij Vrinten geworden. In 1938 liep ook Koutrik, een andere medewerker van Vrinten over naar de Abwehr. Via vooral van Koutrik kreeg de Duitse Abwehr zelfs alle namen van Britse geheime agenten in handen. Vrinten was tijdens de Eerste Wereldoorlog een medewerker van GS III geweest en reisde als zakenman veelvuldig naar Duitsland. Zijn firma Zaal & Co werd al snel een dekmantel voor operaties van de Passport Control Office (PCO). Het bedrijf wist in relatief korte tijd een groot aantal mensen te werven die als “spion” (informant) informatie voor de Britten verzamelden. Zoals al eerder gerefereerd, liep ook medewerker Koutrik over naar de Duitse Abwehr. Van al deze zaken echter was de Nederlandse geheime dienst GS III niet op de hoogte (go2war2.nl)

 

Fahndungsliste Holland

Op 12 mei 1940 werd op het heroverde hulpvliegveld Ockenburg onder het stoffelijk overschot van een omgekomen Duitse inlichtingenofficier van de 22e Luchtlandingsdivisie de "Fahndungsliste Holland" gevonden. Deze vondst werd gedaan door (dienstplichtig) sergeant Gorlée van de 13e Mitrailleur Compagnie tijdens een inspectie over het hulpvliegveld. Bij het gedeeltelijk verbrande lichaam van deze Duitse inlichtingenofficier zag men een met riemen op de rug bevestigde tas. Nadat de tas bekeken en vervolgens gesloten was, werd deze naar kapitein Van der Putten van de 13e Mitrailleur Compagnie gebracht. De Fahndungsliste Holland bevatte de namen en de adressen van een aantal personen, die onmiddellijk door de Duitse troepen moesten worden gearresteerd. Op deze lijst kwamen ook de namen van enige officieren van G.S.III (het Bureau Inlichtingen) voor.

Duidelijk is dat Vrinten een heel netwerk van informanten heeft opgebouwd. Kennelijk vanwege zijn vroege inlichtingenactiviteiten voor de Nederlandse inlichtingendienst GSIII, die voor de 2e Wereldoorlog de enige inlichtingendienst in opbouw is, wordt Vrinten vertrouwd en  geïntroduceerd door GSIII bij de British Pasport control Office (PCO) die gelieerd is aan de Britse buitenlandse Inlichtingendienst Secret Intelligence Service (SIS), de latere MI6. Vrinten is actief in werven van medewerkers voor de PCO. Mogelijk door de slechte betaling en door effectief optreden van de Abwehr worden meerdere PCO-medewerkers al vroeg door de Abwehr gerekruteerd. Vrinten en de PCO hadden in die periode te weinig professionaliteit en geen standaard veiligheidschecks ingevoerd om de dubbelrol van hun medewerkers te kunnen ontdekken. Dit blijkt funest voor de inlichtingenactiviteiten van zowel de Nederlandse als de Britse inlichtingendienst(en).

De 'vlucht' van Vrinten naar Engeland gaat zo overhaast dat hij kennelijk geen gelegenheid heeft zijn archief te vernietigen. Hij lijkt er dan geen moeite mee te hebben dat zijn neef en informant, de Waalwijkse leerhandelaar F. A. Hensen, een deel van het archief onder zich houdt. Hensen wordt met het archief aangehouden door de bezetter die al voor de WOII via  Abwehr op de hoogte was van de activiteiten van zijn neef. (tzt verder)  (2)

Vrintens ‘schuld’ werd zelfs op hoog niveau besproken, want in september 1946 berichtte Einthoven, hoofd van de Centrale Veiligheidsdienst, de latere BVD en AIVD, aan het Kabinet der Koningin: ‘Beste Marianne, Hierbij is de nota over Vrinten [niet in het dossier aangetroffen], waarom Hare Majesteit heeft verzocht. Gezien het bovenstaande kan flink worden afgedongen op de ‘nalatigheid’ van Vrinten.

Openbaarheidsbeperking

Door onderstaande inzagebeperking is mogelijk nog niet alles bekend geworden over A.J.J. Vrinten.

O 015/49. Interne rapporten over de positie en het gedrag van A.J.J. Vrinten met name met betrekking tot zijn werkzaamheden bij de spionage-afweercentrale, 1940 - 1949 Bevat persoonsnamen.Openbaarheid beperkt tot 01-01-2025.

10-5-1940  Inlichtingendienst (ID) Rotterdam in relatie tot (A.J.J. (Aad) Vrinten

Ook met de stedelijke veiligheidsdiensten van Hamburg en Antwerpen worden goede betrekkingen onderhouden. Met de Engelse dienst heeft men geen contact en de grote man van de Engelsen, de ‘koopman’ Vrinten, die herhaaldelijk tracht bij de ID in het gevlei te komen, vindt een gesloten deur.

Als op 10 mei 1940 de oorlog uitbreekt, komt Vrinten bij de ID Rotterdam en zegt, dat het nu toch wel tijd zal worden om samen te werken. Hem wordt andermaal de deur gewezen (1)

De activiteiten van A.J.J. Vrinten worden ook elders op deze site weergegeven. (2)

               Uittreksel boek 'Het spel der vossen'

Sinclair liet het werk aan beide kolonels over, die constant in een vete gewikkeld waren. 
(120) Dansey zocht ander werk en vertrok via Italië naar Zwitserland en zette daar de organisatie Z op. 
Vivian had op het vasteland een aantal gecamoufleerde stations die werkten onder de dekmantel van Pasport Control. 
In den Haag zat voor Z, Payton Sigmunds Best, (Sigismund Payne Best, FO 0x, 14) een ex-kapitein van het Engelse leger, getrouwd met Maria Margaretha van Rees. Hij woonde aan de Nieuwe Uitleg 19, handelend onder Continental Trading Company. 
Aan de Nieuwe Parklaan 57 was het Paspoort controle bureau gevestigd. Hoofd Hugh Reginald Dalton . 

Indienst zijn: 
Adrianus Johannus Vrinten , een 42 jarige gepensioneerde Nederlandse speurder. Als sergeant ingeschreven. 
(Schuilnaam Zwart. PEC 4C II, 1515) 
Zaal , een SIS veteraan uit de 1e wereldoorlog stelde Vrinten voor de 24 jarige Folkert Arie van Koutrik in dienst te nemen. (Half 1937 volgens PEC 4 C II, 1513). Deze maakte een goede indruk op Chidson nam hem aan ondanks het feit dat van Koutrik gehuwd was met een knappe Duitse vrouw. (Schuilnaam de Jong PEC 4C II, 1515) 
John William Hooper (Jack) 
Werkten samen met kolonel Willem van Oorschot , als agent 945 op de lijst. 

FA 01 Het spel der vossen. Het boek mist een index. Toen Ladislas Farago in 1967 op een donkere zolder van het National Archief in Washington DC een doos met rolletjes microfilm vond, bleek dat deze vondst een nieuwe visie op de Duitse geheime dienst tot gevolg had. Het was het archief van de Abwehr. Zo begint zijn boek. Als je dan door de 624 bladzijden heen bent blijkt zijn visie op de geheime diensten veranderd te zijn. Hij besluit op de achterkaft zijn verhaal met de zin. "Toen ik mijn onderzoek begon", zegt Farago, "dacht ik dat de Duitsers de spionageoorlog hadden gewonnen. Maar toen ik er (10 jaar later) mee klaar was, wist ik dat het de Engelsen waren geweest".

(118) Protze hoofd IIIF 
Herman J. Giskes. Assistent.
(25) Canaris kwam in 1905 in dienst

(41) F.1111 registratie nummer voor geheim agent
F staat voor verkenner en koerier. Forscher. 
R staat voor Reizend agent
A staat voor producerend (Arbeid)agent.

Majoor W.E. Hinchley Cooke had zijn hoofdkwartier in kamer 505 van de Whitehall waar de geheime dienst, MI5, van het ministerie van Oorlog gevestigd was.

Sir Basil, hoofd Criminal Investigation Department van de Scotland Yard. 
Majoor Vernon Kell, hoofd en oprichter van MI5
(119) Rond 1934 SIS, Admiraal Hugh Sinclair, de CSS (Chef Secret Service) 
Kolonel Valentine Vivian voormalig hoge politie ambtenaar in India. Kolonel Claude Dansey een Territorial officer. 

Op 4 september 1936 werd majoor Dalton thuis doodgeschoten aangetroffen. Blijkbaar zelfmoord met als oorzaak financiele tekorten in de hem toebedachte fondsen als gevolg van zijn amoureuze escapades.Majoor M.R. Chidson volgde hem op, bleek niet geschikt en werd na enkele maanden vervangen door majoor Henry Stevens. (R.H. Stevens volgens FO-0x, 15) 
Hooper was van de activiteiten van Dalton op de hoogte en chanteerde hem. Werd uiteindelijk door Stevens ontslagen.

 

Kapitein Luitenant ter zee Traugott Andreas Richard Protze (Oom Richard) neemt ontslag en vertrekt in de herfst van 1937 naar Nederland om daar de zaak te bekijken. Gaat wonen in de Bloemcamplaan 36 in Wassenaar. 
In juli 1938 volgt van Koutrik hem, wordt vastgenomen en zegt dan dat hij werkt voor de Engelse geheime dienst. Van Koutrik wordt dan ook door Protze in dienst genomen. Dubbelagent. Onder de naam Oliver Kendall moest hij voor een vergoeding van fl 500,- de Duitse diplomaat zu Pulitz schaduwen. ( von Puttlitz, eerste secretaris, volgens PEC 4C II, 1515) Deze, zo bleek, verdacht te zijn. Protze besprak dat met de superieur van zu Pulitz, zonder de identiteit van de betrokkene te melden. Deze besprak het met een van zijn medewerkers wat in dit geval zu Pulitz zelf bleek te zijn. Gewaarschuwd op deze ongebruikelijke manier vertrok hij naar Engeland ( volgens PEC 4C II, 1515 naar Amerika) waar hij een belangrijke schakel was in de keten van antinazi's. 
Protze liet alle mensen fotograferen die het Pasport bureau ingingen en deze personen werden door van Koutrik geïdentificeerd, zodat de Duitsers precies wisten wie tot de Engelse geheime dienst behoorden. 
Protze wist ook andere SIS activiteiten op het vaste land te infiltreren. o.a. in Denemarken. 
In deze tijd, begin 1939, wordt de Duitse contingent contraspionnen gewijzigd. Protze houd zijn plaats in Wassenaar maar IIIF in Hamburg neemt de zaak over. Daar heeft kapitein von Feldman versterking gekregen van Herman J. Giskes die de zaak van de Engelse geheime dienst over nam toen zijn baas voor een drie maanden durende operatie naar Portugal werd gezonden. 
Hooper verraadde de gehele Engelse dienst aan Giskes en ging in april 1939 zelfs verder toen het er op leek dat hij uitgewerkt was. Hij vertelde dat Dr. Otto Krüger, een commandant van de Noordelijke Maritieme basis in Duitsland voor de Engelsen werkte. Alle SIS agenten in Duitsland worden opgepakt en Dr. Krüger wordt gearresteerd. Pleegt op 4e september zelfmoord, de dag nadat de Engelsen de Duitsers de oorlog hebben verklaard. 
Kolonel Claude Dansey geeft kapitein Best de opdracht zijn Z organisatie bij majoor Stevens onder te brengen. 
Van Koutrik weet dan ook snel de gegevens van deze organisatie aan de Duitsers door te geven.

Hooper verandert van gedachten en deelt Stevens mee dat hij voor de Duitsers heeft gewerkt zonder zijn verraad van Dr. Krüger te melden. Stevens meent Hooper nu te kunnen gebruiken om in de Duitse voorposten in Nederland te kunnen penetreren en zet een val op om Giskes in Nederland te kunnen ontvoeren, te verhoren en hem dan aan de Nederlandse autoriteiten uit te leveren. Dit plan wordt op het allerlaatste moment verijdeld, Giskes is al onderweg.

Er ontstaat een samenwerking tussen Abwehr en SD, er worden plannen uitgewerkt om de Engelse post in den Haag uit te schakelen. 
Canaris had een van zijn officieren, kapitein-luitenant Johannes Travaglio, samen met Richard Heydrich opdracht gegeven het complot te organiseren. 
Dr. Frank, Duits geheim agent F 479, actief om in het Deuxieme Bureau van commandant Trutat te infiltreren, wordt ingezet om contact op te nemen met kapitein Best. 
Door de Nederlander Vrooberg, die voor Best hetzelfde deed als Vrinten voor Stevens, werd contact gemaakt. 
(136)Begin september stond Dr. Frank er op contact met Best te willen malen. 
Een zeker luftwaffe majoor Solms had informatie voor Best die zou kunnen leiden tot de val van hitler maar weigerde deze via Frank te verstrekken, hij wilde daarvoor direct contact met Best. 
Er werd een inleidende ontmoeting gearrangeerd in Venlo, een onbekende "generaal" zou bij de volgende ontmoeting aanwezig zijn. De generaal J.W. van Oorschot wordt van de activiteiten op de hoogte gebracht. Deze stelt Dirk Kop aan als zijn verbindingsman. 
Bij de volgende ontmoeting in Dinxperlo loopt het wat uit de hand, een lichte paniek als de Duitsers verraad vermoeden maar aan de Engelse kant wordt op die reactie geen argwaan gewekt. Geen nieuwe informatie, wel een nieuwe afspraak. 
7 november weer een onbesliste ontmoeting in Venlo. Nu een nieuwe afspraak voor 9 november. 

De afloop is bekend, Best en Stevens werden meegenomen, verhoord en verbleven gedurende de oorlog in de gevangenissen van de Gestapo. 
Een week na het incident was de plaatsvervanger, kapitein Jan Hendricks nog steeds onkundig van wat er zich in Venlo had afgespeeld. Pas de 16 november stuurde de Gestapo een bericht terug waaruit ondubbelzinnig bleek wat er echt gebeurd was.

Sinclair stierf op 4 november en werd opgevolgd door Menzies.

Op 10 mei 1940 vertrekken Vrinten en Koutrik naar Engeland.(PEC 4C II, 1518) 
Wordt op 5 augustus 1943 ontslagen bij de patriotic school wegens misbruik van fondsen (134) (PEC 4C II, 1518 volgens eigen zeggen wegens disloyalty, contact met Hoogeveen! )

 

 

17.478 rollen, bijna 18 miljoen pagina's (11)

(17) Abwehr Hoofd Willem Franz Canaris geboren op 1-1-1887 in Alperbeck, bij Dordmund.
(24) Door de nazi's vermoord in Flossenburg op of omstreeks 12 april 1944.(598)

Kolonel Hans Piekenbrock, hoofd van geheime inlichtingen en spionage Groep I
Kolonel Erwin von Lahousen, hoofd sabotage Groep II
Later Helmuth Groscurth.

Kolonel Joachim Rohleder, hoofd IIIF, contraspionage Groep III
(28) Chef, later hoofd, Rudolf Bamler , werkte samen met gestapo

Wilhelm Franz Canaris was een Duits admiraal en tijdens het nationaalsocialistische regime leider van de Abwehr van het Duitse opperbevel, die opgehangen werd nadat hij had samengezworen tegen Adolf Hitler (Wiki)

**************************************************************************************************************